Marcel Bayer De grootste ontwerpopgave ligt in stedelijk gebied
in: COB Nieuws - juni 2002 - uitgave Centrum Ondergronds Bouwen, Gouda

Het toeval wil dat architect Kees van der Hoeven zijn carriere begon met een gedeeltelijk ondergronds ontwerp. Dat was bij een ideeënprijsvraag in 1979 voor de uitbreiding van het stadhuis van Berlage in Usquert. De opdracht was dat monumentale gebouw uit te breiden om zo tegemoet te komen aan de toegenomen ruimtebehoefte. "De nieuwe hal situeerde ik half onder de grond rond een grote verdiepte patio. Vanuit het bestaande gebouw liep de vloer geleidelijk af naar de nieuwbouw. De grond lag er als een deken overheen."

Dit ontwerp bezorgde Van der Hoeven zijn eerste prijs en een aanbieding om te komen werken bij de Rijksgebouwendienst. Vervolgens werkte hij tien jaar als hoofdarchitect in de regio Den Haag aan grotere en kleinere projecten, zoals het wachthuisje voor de marechaussee op het terrein van het Catshuis en de uitbreiding van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Sinds de jaren negentig werkte Kees van der Hoeven als zelfstandig architect, als docent (onder meer aan de Academie van Bouwkunst in Rotterdam en aan de faculteit Bouwkunde van de TU Delft) en als stimulator van jonge architecten. Zo richtte hij het Jonge Architecten Atelier op en is hij voorzitter van de Stichting Jonge Architecten Prijs. Via zijn bedrijf ArchitectenWerk biedt Van der Hoeven informatie voor en over Nederlandse architecten op internet. Sinds eind vorig jaar is hij voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten BNA.

Oervormen in het landschap
In zijn atelier in de Wassenaarse duinen, gevestigd in een bovengronds paviljoen bij een oud bunkercomplex, laat Van der Hoeven zien hoe hij in zijn ontwerpen zoekt naar een evenwichtige relatie tussen datgene wat de natuur voortbrengt en wat de mens toevoegt. De klassieke architectonische vormen, zoals het vierkant en de cirkel, vormen voor hem een uitgangspunt. Die oervormen komt hij in het dagelijks bestaan voortdurend tegen. Zoals op de foto van een straatartiest voor het Centre Georges Pompidou. Op het moment dat de clown zijn kunsten gaat vertonen, komen de mensen er als vanzelf in een cirkel omheen staan.
De architect begint te schetsen. Hij tekent een vierkant. "Je begint met de zuivere vorm en knabbelt daar sommige randen van af om de vorm aan te passen aan het terrein. Dat kan een golvende lijn zijn, die de oever van een rivier volgt of de contouren van een heuvel. Ik heb altijd geprobeerd om iets toe te voegen aan wat er al is. Een bouwwerk moet uniek zijn voor de plek waarvoor het ontworpen is. In die zin ben ik tegen gebouwen die overal kunnen staan."
Wegvallen in het landschap
Een architect die er volgens Kees van der Hoeven als geen ander in slaagt om bouwwerken op een originele wijze in te passen in het landschap, is Emilio Ambasz, een Argentijn die werkt in New York en in Den Haag. Hij is onlangs gevraagd om een ontwerp te maken voor de overgang van het Haagse Julianaplein naar de Koekamp en het Malieveld. Een uitstekende keuze, zo vindt de voorzitter van de BNA. "Ambasz gebruikt de oervormen in combinatie met de natuur en laat bijvoorbeeld een bouwwerk gedeeltelijk wegvallen in het landschap."
Een fantastisch voorbeeld daarvan staat in de ogen van Van der Hoeven in de buurt van het Spaanse Cordoba. Twee hoge wanden van een kubus rijzen op in het glooiende landschap. Ze schermen een binnenplaats af die verdiept ligt met en waaraan woonruimtes zijn gesitueerd. Langs de twee wanden lopen diagonaal twee trappen naar een balkon aan de voorzijde met uitzicht over de vlakte. Het ruime blikveld vanaf het balkon compenseert de beslotenheid van de ondergrond.
Natte voeten
De fascinatie met het gebruik van de natuurlijke entourage in het bouwkundig ontwerpen, laat Kees van der Hoeven niet meer los. Hij laat een boek zien van het Underground Space Centre in Minnesota en wijst op een plaatje van een echtpaar dat in de zon zit op een patio. Op een foto ernaast is te zien dat het geen gewone patio is, maar dat deze is uitgegraven in de bosgrond. De vertrekken zijn onder de grond om de patio heen gegroepeerd. "Vind je het niet geniaal?" Meteen daarna wijst hij op de beperkingen in Nederland. "In Minnesota kan het en heeft het zin om in de winter de strenge vrieskou tegen te houden met een deken van aarde. In de zomer houdt je de hitte buiten. Ons klimaat is daarentegen helemaal niet geschikt om gebouwen met grond te bedekken en deze te gebruiken als een soort energetische deken. De temperatuur op dat niveau schommelt constant tussen de 12 en 16 graden. In de zomer moet je dus altijd bijverwarmen. Voordat je het gebouw op temperatuur hebt, moet je een vermogen verstoken gedurende vele jaren."
Een andere beperking voor het onder de grond wegwerken van bebouwing is de lage ligging. "Als je hier een meter graaft, zit je op het grondwater. Alles moet waterdicht worden gebouwd en dat is niet eenvoudig. In sommige delen van Nederland, waar het water dieper ligt, kun je wel twee lagen diep en misschien nog dieper bouwen, maar altijd met patio's en met toetreding van daglicht. Dat contact met het daglicht is essentieel, zelfs in parkeergarages. Kijk maar naar het Museumplein. Daar bepaalt het daglicht de kwaliteit van de ondergrondse ruimte."
Onder het maaiveld
De voorzitter van de architectenbond ziet veel meer toekomst in het volgen van de landschapscontouren en het creeren van meerdere maaiveldniveaus. Hij noemt de Marienburg in Nijmegen, waar architect Sjoerd Soeters volgens Van der Hoeven heel knap gebruik heeft gemaakt van de hoogteverschillen in de stad zelf. "Waar je denkt dat er een goot is gegraven - zoals in het geval van de Beurstraverse onder de Coolsingel - is dat in Nijmegen feitelijk een geleidelijke overgang naar een ander niveau elders in de stad."
Architecte Francine Houben laat met de Universiteitsbibliotheek in Delft zien hoe de grond bovengronds als deken voor bebouwing is te gebruiken. Ze heeft het landschap iets opgetild over een vrij groot oppervlak en daar het gebouw onderdoor laten lopen. Ongemerkt beslaat het gebouw een enorm gebied. Tegelijk is er een fraai park toegevoegd aan de stad. Met het scheppen van zo'n tweede maaiveld, of door het maaiveld een laag op te tillen om er functies onder te stoppen, kunnen architecten een belangrijke bijdrage leveren aan het verdichten en meervoudig ruimtegebruik in het stedelijk gebied, aldus Van der Hoeven. Volgens hem is dat de voornaamste ontwerpopgave.
De architectenbond heeft drie studiestichtingen die de belangrijke opgaven voor de toekomst bestudeert. Sinds kort loopt er een onderzoek naar nieuwe strategieen voor stedelijke herstructurering. Van der Hoeven daarover: "De stad moet verdicht worden; geherstructureerd. Gebruik de ontwerpende kracht van architecten om daar oplossingen voor te bedenken. Daar kan de ondergrondse optie deel van uitmaken, maar is voor ons geen doel op zichzelf."
Ontwerpende kracht
Van der Hoeven voelt zich niet geroepen om met de BNA het ontwerpen in de ondergrond te stimuleren. Ontwerpers met visie nemen de ondergrondse laag als vanzelfsprekend mee in hun plannen, is zijn stellige overtuiging. "Parkeerplaatsen komen steeds meer ondergronds, net als de opslagfuncties. Zeker voor de infrastructuur liggen er veel meer mogelijkheden ondergronds. Vooral voor het goederentransport maken we daarvan nog veel te weinig gebruik."
Hij vindt dat we moeten vertrouwen op de ontwerpende kracht van de architect. "Een vaardig architect kan drie dingen heel goed. Hij kan de vele aspecten rond een ontwerpprobleem samenbrengen in een of meerdere concepten. Hij kan ons nieuwe beelden voortoveren vanuit zijn verbeeldingskracht. En hij heeft veel verstand van het bouwproces en van alle aspecten die daarbij komen kijken. De ontwerpende kracht, het samenbrengen van allerlei vragen in een oplossing en het genereren van nieuwe beelden, maken architecten uitermate geschikt om de hedendaagse stedelijke en ruimtelijke vraagstukken aan te pakken."

Van der Hoeven wijst ter illustratie op de ondergrondse uitbreiding van de monumentale kantoorvilla van organisatieadviseurs Andersson Elffers Felix aan de Maliebaan in Utrecht (winnaar van de Schreudersprijs 2001). "Daar is te zien dat ondergronds bouwen een oplossing kan bieden voor het ruimteprobleem in de stad. Zonder directe aantasting van de monumentale omgeving is een flinke uitbreiding te realiseren. Rijksbouwmeester jo Coenen is ook bezig om grote landschappelijke en infrastructurele vraagstukken ontwerpend aan te pakken. In zijn atelier zijn meerdere ontwerpende disciplines daarbij betrokken; juist die disciplines zijn uitermate geschikt om nieuwe oplossingen te genereren."