BladNa - mrt.2003 Wel of geen opinie

Voor de BNA-kring Amsterdam hield ik ooit een inleiding over de onduidelijke criteria van tijdschriftredacties bij hun selectie van te publiceren werk. De redacteuren in het forum veegden de vloer aan met mijn visie maar de zaal vol architecten reageerde nauwelijks; ze zijn voor publicatie sterk afhankelijk van de tijdschriften en openbare strijd helpt daar natuurlijk niet direct bij...
Toch had ik me er ditmaal weer veel van voorgesteld, van het ArCAm-debat over de Nederlandse architectuurkritiek op 15 januari in De Balie. Een goed gevulde zaal, professionele inleidingen en een mogelijk flitsend debat met de bijna compleet aanwezige groep Nederlandse critici.
Kunsthistoricus Dirk Baalman begon met een kort historisch overzicht en vond dat de criticus uiteindelijk tot taak heeft "de wereld zo te beschrijven dat die er anders uit gaat zien voor de lezer." Architect en oud-criticus Wiek Röling nam als een 'opa die vertelt' de afgelopen veertig jaar voor zijn rekening. Hij kwam via allerlei sappige anekdotes ["toen ik een keer achter Granpre Moliere in de zaal zat, dacht ik, ik hoef nu alleen nog maar mijn beide handen rond dat nekkie te leggen..."] tot de stelling dat de lezer recht heeft op een 'meetlat' waarlangs de criticus de besproken projecten behoort leggen.
Roemer van Toorn besprak de tegenwoordige tijd en bracht het statement: "kritiek is propaganda". Vervolgens spaarde hij zichzelf en zijn collega's niet: meewerken aan promotieboeken van architectenbureaus en in de periodieken pretenderen distantie te behouden ten opzichte van dat werk kon toch eigenlijk niet. Hij riep de critici dan ook op tot het weer innemen van een echt onafhankelijke positie en zelfs tot een 'nieuwe ethiek'.
Vervolgens waren de voorin de zaal genodigde critici en architecten aan de beurt. Ze gaven telkens netjes antwoord op de vragen van moderator Aart Oxenaar. Zo vond Barbieri dat het bij kritiek gaat om "het stellen van de juiste vragen", terwijl Hertzberger behoefte had aan een leerzaam gesprek met de criticus, maar "ze komen nooit bij me langs". Ole Bouman zei geen gebouwen meer te beschrijven, maar zoekt vanuit zijn eigen visie op de wereld juist "de architectuur die dat kan illustreren". Janny Rodermond besloot somber: "Wat ik hier beluister heb ik allemaal al eens eerder gehoord".
Helaas bleef een deel van de genodigden zwijgen, want zo werd het een keurig en beleefd gesprek onder vakgenoten. Iedereen was aardig voor elkaar - alleen Ole en Roemer sneerden een beetje over en weer - en de keuzecriteria van de criticus kwamen nauwelijks aan de orde. Niemand stond op om te roepen zoals wijlen Hans Berger dat zo mooi kon: "Graafland... houd je bek, ik word gek...!"
Max van Rooy plaatste wellicht nog de meest wijze opmerking door een vergelijking te maken met de opinieweekbladen: "die noemen we nu toch ook gewoon weekbladen, want ze bevatten geen opinies meer."