 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
Harm Tilman |
 |
In zaken van architectuur ben ik domweg een moralist in: de Architect - oktober 2003 - uitgave Ten Hagen Stam Den Haag
De positie van architecten in het bouwproces staat sterk onder druk. Om dit te veranderen pleit Kees van der Hoeven, de nieuwe voorzitter van de branchevereniging, voor een terugkeer van architecten in de rollen van bestek en begroting, directie en dagelijks toezicht. Ook het bouwproces moet anders worden ingericht door naast aanbestedingen allianties en bouwteams een kans te geven. Tegelijk is Van der Hoeven van mening dat architecten zich moeten bezinnen op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. In dit proces wil de BNA als kenniscentrum haar partij meeblazen.
De Nederlandse architectuur heeft de laatste jaren internationaal sterk aan weg getimmerd, vooral door haar grote conceptuele kracht.
We zijn onlangs met Architectuur Lokaal in Duitsland geweest, omdat de regering wil leren van wat Nederland heeft gepresteerd in de laatste tien jaar. Ik heb ze geadviseerd om net als Nederland jaarlijks veertig miljoen in de architectuur te steken. Deze overheidsinvestering heeft immers zijn vruchten afgeworpen.
De vijftig architecten die in Het kunstmatige landschap en in Superdutch staan, timmeren nog altijd goed aan de weg, ook in het buitenland. Of dat nu gebaseerd is op conceptuele kracht weet ik niet. Ze bouwen in ieder geval voort op de Nederlandse ingenieurstraditie. De nadruk ligt op het inrichten van deze plek op aarde, op de financieel meest gunstige manier. Daardoor weten ze heel goed om te gaan met beperkingen.
Een van mijn studenten noemde dat ooit de strategie van de 'anarch'. Je doet mee in een systeem waarin regels gelden. Door deze regels schijnbaar te accepteren, kunnen architecten daarbinnen geheel hun eigen spel spelen. De WoZoCo van MVRDV is hiervan een schitterend voorbeeld. Ik denk dat dit van blijvende betekenis is.
In de lezing die je onlangs in Noordwijk gaf over 'Architectural Governance' stel je, dat een architect goed moet zijn in vier zaken, te weten concept, ruimte, materiaal en techniek. Als je echter naar de Nederlandse architectuur kijkt, dan lijkt de kracht te liggen bij een of twee van deze aspecten.
Concept en ruimte, daar zijn Nederlandse architecten goed in. Er zijn echter weinig architecten die alle vier aspecten beheersen.
Ik ben er terecht op gewezen, dat er nog een vijfde aspect is, namelijk de integrerende kwaliteit. Architecten doen het niet meer alleen, maar werken samen met verschillende disciplines of deelspecialismen. Een architect moet vooral de regierol kunnen spelen. Van Velsen is een voorbeeld van een architect die het proces vanaf het concept tot de laatste spijker wil beheersen en dat ook doet. Maar hij is een van de weinigen.
Op dit vlak is dus het nodige te winnen?
Ja. Als beginnend architect was ik zelf niet goed in materialisatie en detaillering. Daar heb ik hulp bij nodig gehad en van die hulp heb ik uiteindelijk ontzettend veel van geleerd. Peter Zumthor zei onlangs, dat als architecten van school komen, ze nog maar weinig weten. Dus ook na school blijf je als architect leren, elke dag weer.
Je ziet dat bij alle grote Nederlandse architecten Twintig jaar geleden bezocht ik bijvoorbeeld de verbouwde winkels van Jo Coenen in Zuid-Limburg en zag dat de spijkers in de plinten niet waren meegeverfd. Ik vroeg hem of de aannemer de plint eerst had geschilderd en daarna tegen de muur had geramd. Coenen deed dat af als een zaak van de aannemer. We wisten toen dat hij het proces nog niet zelf in de hand had. Maar als je nu zijn gebouwen bekijkt, zie je een grote beheersing van het vak. Hij heeft het dus ook moeten leren, samen met anderen, want zoiets kan je nooit alleen.
Wat je wel ziet, is dat jonge architecten soms te snel verantwoordelijkheid wordt gegeven, terwijl ze deze eigenlijk nog niet kunnen dragen. Maar als je naar de hoofdstroom van Nederland kijkt, dan zie je een hoog niveau van uitwerking, zeker in vergelijking met andere landen.
|
 |
 |
 |
|
 |
Je zet je met de BNA in voor een vitale architectuur.
Gezien het oubollige imago van de BNA, wilden we met strategische uitspraken komen over het thema 'duurzaam bouwen' en alle aspecten die hierbij zijn betrokken. Ons advies is dat als er een vraag komt uit de maatschappij, eerst moet worden nagedacht over gehele levensloop van het gebouw en dus niet alleen over de eerste tien jaar. Het zou dan kunnen dat er niet hoeft te worden gebouwd, of slechts voor een bepaalde tijd, zoals Jouke Post betoogt. Maar als wel wordt gebouwd, dan dienen zulke keuzes te worden gemaakt dat het milieu zo min mogelijk wordt belast. Ook moeten gebruikers bij oplevering een duidelijke gebruiksaanwijzing meekrijgen.
Op dit moment zijn er veel pleidooien voor een nieuwe betrokkenheid. Wat vind jij daarvan?
Iedere tijd krijgt de architecten die ze verdient. Hertzberger is een mooi voorbeeld. Hij is iemand die met zijn tijd meegaat en nog steeds heel betrokken is. Ook iemand als van Van Velsen is een architect die zonder veel poeha en publiciteit toch veel dingen voor elkaar krijgt. En Wim Quist bijvoorbeeld heeft zijn hele werkzame leven gewijd aan kwaliteit.
Je hebt gezegd dat architecten een bepaalde verantwoordelijkheid voor de samenleving dragen.
In dat opzicht ben ik domweg een moralist. Alles moet goed verzorgd zijn. Gebouwen moeten met liefde zijn gemaakt en dat moet er wat mij betreft ook vanaf stralen. Doorslaggevend is de passie van de architect. Altijd vraag ik me af hoe hetgeen een architect maakt, samenhangt met de manier waarop hij of zij leeft en werkt.
Maar ik ga nog een stap verder. De vormen die we maken moeten door gebruikers werkelijk kunnen worden begrepen. En dan kom ik bij veel jonge architecten in de problemen. Architecten lijken tegenwoordig het zweefmoment te willen vastliggen, maar de vraag is toch echt of dat gedurende honderd jaar moet, want zo lang kan een gebouw er staan. MVRDV is er in het WoZoCo mee begonnen, maar de anderen apen het allemaal na, echter zonder de lading. Zo gaat het altijd. Een zelfportret van Rembrandt wordt zo uiteindelijk een zigeunerjongen met een traan.
Zelf denk ik dat het mij niet zou overkomen, maar dat is natuurlijk niet zo. Ik verwijs vaak naar het voorbeeld van mijn leermeester Oudejans waar de trap verschoven ligt ten opzichte van de deur, zodat je verder af staat van de hangkant en dichter bij de sluitkant. Ik vind dit een interessant voorbeeld dat puur vanuit het gebruik is bedacht.
|
 |
 |
 |
|
 |
Nieuwe bescheidenheid
Wat zijn de gevolgen van de huidige recessie voor de architectuur?
We zullen soberder gaan leven, want alleen dan ben je in staat om meer keuzes te maken. De druk die via de economie op ons af komt, dwingt ons innovatiever en meer bescheiden te worden. Ontwikkelaars beginnen nu al eenvoudiger woningen te maken, want daar is een toenemende vraag naar.
Aan de andere kant zie je, dat voor belangrijke projecten steeds vaker internationale selecties plaats vinden. De modale architecten komen minder snel aan de bak. Dat is jammer. In de Haarlemmermeer worden bijvoorbeeld voor belangrijke projecten internationale meesters gekozen, terwijl ze voor de supervisorrol nationale meesters en voor een hele wijk jonge architecten hebben gekozen. Voor de architecten uit de Haarlemmermeer zelf is geen plaats ingeruimd.
Modale architecten hebben echter wel degelijk bestaansrecht. Het zijn mensen die dienstbaar zijn en vanuit die opstelling net werk maken, wat is daar nou verkeerd aan?
Deze architecten zullen het echter steeds moeilijk krijgen. Ondanks de nieuwe soberheid blijft de neiging bestaan om architecten te kiezen uit de hogere, culturele lagen. Dat is jammer. Over tien jaar zal het sterk de vraag zijn wat het stadhuis van EEA in Alphen aan de Rijn ons nu werkelijk vertelt over die gemeente.
Onderscheid jij naast ster- en modale architecten nog andere rollen?
Zelf heb ik ooit een gepatenteerd systeem bedacht, waarmee je architectuur kunt beoordelen. Het Architectural Quality Rating System is gebaseerd op de gedachte, dat wanneer je gebouwen beoordeelt op een serie eigenschappen, het gesprek over kwaliteit objectiever kan zijn. Ik ben er uiteindelijk van afgestapt, omdat beoordelingen altijd persoonsgebonden zijn.
Op onderdelen kan het natuurlijk wel. In de Nederlandse bouw wordt geen ongecertificeerd beton meer gestort. Dat betekent dat controles achterwege kunnen blijven en dat als de kwaliteit achterblijft, de fabriek verantwoordelijk is.
De in de Haarlemmermeer gehanteerde indeling van procesrollen kan eigenlijk veel breder. Bureaus als Faro en Tangram zijn bijvoorbeeld goed in het maken van verdichte, gemengde projecten. De "middle of the road" bureaus hebben weer andere krachten. Zo zoekt Inbo bijvoorbeeld strategische samenwerking met internationale bureaus, om in Nederland betere oplossingen te kunnen presenteren.
|
 |
 |
 |
 |
 |
Op het Nederlandse architectuuronderwijs hebben jullie flinke kritiek. Hoe kijk jij aan tegen de herstructurering van het onderwijs?
In Nederland zijn drie soorten bouwkundig onderwijs, de universiteiten, de academies van bouwkunst en de hogere en middelbare technische opleidingen. Bij alle drie hebben we vraagtekens.
In Delft en Eindhoven zijn enorme operaties aan de gang. Ik heb zelf in Delft lesgegeven en dan zie je van binnenuit wat beter kan. Ik ben niet erg onder de indruk over hoe de Technische Universiteit denkt te willen scoren. TUD is nu opgedragen om het ontwerpen als wetenschap te poneren. Weeber zei bij zijn afscheid, dat de TU Delft zich juist moet ontwikkelen tot een universiteit van Building Technology.
Wij vinden dat de TU's op het gebied van materialisatie en detaillering nu veel minder bieden dan zou moeten. Nu leren studenten dat uiteindelijk pas allemaal in de praktijk, maar dat is geen oplossing. Ook niet voor de mensen die zelfstandig willen beginnen.
Op het HTO daalt het niveau ook. Dat komt, omdat studenten op het HTO al richting architectuur worden gestuurd. HTO-ers moeten nu al binnen onze bureaus worden bijgeschoold in detaillering! Dat is toch te gek voor woorden.
De scholen zijn niet blij met onze kritiek. We hebben daarom gezegd dat het ieders eigen verantwoordelijkheid is. Daarom bieden we als BNA aan om op de TU Delft een leerstoel Architectenberoepspraktijk te financieren. Daar is echter tot nu toe nog niet op gereageerd.
Biedt de bijscholing van medewerkers in de bureaus en het Experiment soelaas?
De voorganger van het Experiment, de Postinitiele opleiding Architectuur en Stedenbouw (PAS), had geen enkele binding met de praktijk. Daarom steunen we nu het Experiment. Jo Coenen doet dit met zijn eigen vriendenclub van hoogwaardige collega-architecten. We hebben toegezegd, dat als het Experiment slaagt, de BNA het overneemt. Er hebben zich nu zo ongeveer twintig mensen aangemeld, waarvan er zelfs vijf afkomstig zijn van Atelier Pro. We zullen zien hoe het zich ontwikkelt.
|
 |
 |
 |
|
 |
Het stoffige imago van de BNA
De BNA heeft het imago een wat stoffige en vergrijsde club te zijn. Slechts veertig procent van de architecten in Nederland is lid. Hoe wil je dit doorbreken?
Ik streef er naar om van de BNA een werkelijk kenniscentrum te maken. Iedere vraag die over de beroepsgroep komt, zouden we moeten kunnen beantwoorden. Op dit moment weten we te weinig van de beroepsgroep af. De BNA kan daardoor bijvoorbeeld niet de rol spelen in de permanente beroepsontwikkeling die ze graag zou willen. We zijn veel te veel afhankelijk van derden die cursussen kwaliteitszorg, onderhandelen en bouwtechniek aanbieden. Dat kunnen we ook zelf, voor een redelijke prijs.
De BNA wil dichter bij de leden komen. De vereniging is inmiddels regionaal opgezet; in vijf regio's zijn coordinatoren aangesteld en de macht van het hoofdbureau in Amsterdam is ingeperkt. Als vereniging willen we ook veel meer naar buiten gaan kijken.
Ik vind overigens, dat de architecten die geen BNA-lid zijn, ons hierin zouden moeten steunen. Als ze willen katten, dan moeten ze maar een eigen vereniging oprichten.
Toch vinden veel architecten, dat jullie te weinig voor ze doen.
We presenteren eind dit jaar De Nieuwe Regeling (DNR) die geintegreerde contracten mogelijk maakt ter vervanging van de Standaardvoorwaarden Rechtsverhouding (SR) en de Regeling van de Verhouding tussen Opdrachtgever en adviserend Ingenieursbureau (RVOI). Onlangs werd ik op een discussiebijeenkomst opnieuw geconfronteerd met de vraag wat de BNA bijvoorbeeld aan contracten doet. Ik heb toen gezegd: "Mevrouw, u tekent die contracten zelf, ik teken ze niet. Als U een slecht contract tekent, ondanks dat wij dat afraden, kunt U ons dat niet verwijten." Wij doen ons best tot op het hoogste niveau, maar U kunt een bijdrage leveren door juist niet te tekenen.
Bij deze gelegenheid zei Peter Zumthor overigens terecht dat architecten elkaar in zaken van kwaliteit niet moeten betwisten en elkaar vooral moeten steunen. Architecten onder elkaar moeten kunnen vechten over idee‘n, visies en stromingen. Maar als het gaat om hun positie in de bouwwereld, mogen architecten niet meer onderling vechten.
|
 |
 |
 |
|
 |
Wat is voor jullie de agenda voor de komende tijd?
De BNA heeft een concreet programma opgesteld dat BNA 2000+ heet. In dat programma snijden we zaken als onze maatschappelijke en culturele positie, het ondernemerschap, de beroepspraktijk en de beroepsgroep aan de orde, gevolgd door concrete acties die we de komende jaren gaan ondernemen. In de eeuwige discussie tussen Bevordering van de Bouwkunst en belangenbehartiging maken we geen keuze. We blijven ons inzetten voor beide.
Met het Rijksarchitectuurbeleid bemoeien we ons minder, voor ons is de belangstelling vanuit het vak en de praktijk voor gebruikers een speerpunt. Het accent ligt verder sterk op de meer zakelijke kant van het architectenvak.
We hebben geen ambitie weer een zoveelste culturele instelling te worden. Wat we wel doen is elkaar steunen waar dat kan. Samen met Architectuur Lokaal doen we dat al.
We kijken nu, of BNA-leden lezingen kunnen volgen op het Berlage Instituut of wellicht zin hebben om workshops te doen met de toppers die daar langskomen.
Verder zijn we als BNA terughoudend. Alleen als het echt nodig is, zeggen we er wat van. Toen de overheid bijvoorbeeld KPF en andere 'three-letter-architects' vroeg om haar kantoren in te richten, hebben we ons hardop afgevraagd waarin dit soort bureaus nou beter zou zijn dan de Nederlandse. Het antwoord is natuurlijk, dat ze dat niet zijn en dat het geheel heeft te maken met het terugtreden van de Rijksoverheid als opdrachtgever.
In je pleidooi voor 'Architectural Governance' breek je een lans voor breed werkende architectenbureaus die het complete pakket aan diensten aanbieden.
Dat heeft een strategische reden. Het zijn bureaus die het hele ontwerpproces hebben gecertificeerd, die ook projectmanagement aanbieden en die alle rollen binnen het ontwerpproces dubbel hebben bezet. Deze bureaus hebben de koppen bij elkaar gestoken en hebben tegen de BNA gezegd: "als jullie niets extra doen, dan stappen we eruit." Ons standpunt is, dat deze kracht extra moet worden gefaciliteerd. Er bleken in de eerste ronde al 38 bureaus mee te willen doen.
Uiteindelijk vind ik, dat er een Michelin-gids voor Nederlandse architectenbureaus moet komen. Architectenbureaus moeten worden geclassificeerd. Het gaat om minimale kwaliteiten die moeten kunnen worden waargemaakt.
|
 |
 |
 |
|
 |
Integrale verantwoordelijkheid
De positie van architecten in het bouwproces is sterk teruggedrongen. Na het voorlopig ontwerp en het definitief ontwerp worden ze steeds vaker buiten spel gezet. Management, directie en toezicht liggen in andere handen. Jij pleit ervoor om de integrale verantwoordelijkheid weer bij de architect te leggen. Maar is dat wel re‘el?
Als je dat namelijk niet doet, roep je ongelukken zoals in Maastricht over je af. Ik pleit dan ook sterk voor de terugkeer (ook in de commerciele opdrachten) van directie door de architect en het dagelijks toezicht via de bouwkundige opzichter. Daar wil ik zeker voor blijven vechten.
Veel ontwikkelaars geven nu zeer beperkende opdrachten. Dat betekent, dat de verantwoordelijkheid voor een deel niet meer bij de architect ligt. Ontwikkelaars ondervangen door bijvoorbeeld geen toezicht meer te houden op de bouwplaats, maar van de aannemer een gecertificeerde oplevering te eisen. Aannemers moeten dus aan het einde van de rit kunnen aantonen, dat ze voldoen aan wat van ze is gevraagd.
Je moppert over de Europese aanbesteding. Meer concurrentie is goed, zeg je, maar tegelijk rukken de buitenlandse corporate architectenbureaus op.
Deze bureaus komen mee met de grote multinationale ondernemingen. Het zijn eigenlijk InboŐs in het groot. Het is in de eerste plaats een zaak voor opdrachtgevers. ING heeft het gelukkig aangedurfd om voor hun hoofdkantoor een bureau als Meyer en Van Schooten te vragen.
Ook architecten kunnen iets doen. Bij de aanbesteding van Rotterdam CS hebben bijvoorbeeld Benthem Crouwel, Meyer en Van Schooten en West 8 de koppen bij elkaar gestoken. Niemand kan om deze groep heen, door de combinatie van kwaliteiten. Ik ben ervan overtuigd, dat deze groep architecten ook de uitwerking voor zijn rekening kan nemen, wat nu blijkbaar nog niet in de opdracht zit.
Bij een Europese aanbesteding gaat echter niet om het ontwerp, maar om de strategie. Greiner won bijvoorbeeld in Zwolle van Henket, omdat hij na eindeloze vergelijking - en tenslotte via loting - als zogenaamd laagste had ingeschreven.
Volgens jou leiden Europese aanbestedingen tot ingewikkelde planprocessen. Kan 'Architectural Governance' hierin een ommekeer bewerkstelligen?
'Architectural Governance' is mede toegesneden op situaties waarin het opdrachtgeverschap is verschoven van de overheid naar markt. We moeten beter nadenken over verantwoord ondernemerschap. De Commissie Tabaksblat heeft wat mij betreft in dit opzicht geniaal werk afgeleverd.
Als we praten over de inrichting van het bouwproces, dan zijn aanbestedingen lang niet altijd de beste oplossing. Sommige vormen van samenwerking zijn beslist profijtelijker, zoals allianties en bouwteams. Van automatismen mag in ieder geval gen sprake zijn. Nodig is geintegreerd beleid dat gebaseerd is op visie.
Dient de communicatie in de bouw te veranderen? Hoe denk je te komen tot betere onderlinge verhoudingen en andere vormen van samenwerking?
Architecten moeten de ruimte in hun denkraam verkennen. Je hebt tien ideeën per week nodig, waarvan je er uiteindelijk maar een paar kunt uitvoeren. Dan moet het mogelijk zijn om juist kansen in plaats van bedreigingen te zien. En dat vereist 'lateraal denken': een tenniswedstrijd met 151 deelnemers levert anders geheid slechts 150 verliezers op. Het gaat er juist om dat alle creatieve kracht en technische kennis van architecten wordt ingezet voor de vitale oplossingen van morgen.
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |