Tjerk van Duinen
Joost de Man
Streven naar volwaardige architecten
in: de GevelTechkrant - november 2002 - uitgave VMRG, Nieuwegein

Pas afgestudeerde TU'ers zijn niet direct inzetbaar, zo klagen gevelbouwers en toeleverende industrieen nogal eens, en kersverse ingenieurs moeten bij hun eerste werkgever, het architectenbureau, doorgaans veel bijleren. Er gaapt een fors gat tussen opleiding en praktijk, vindt ook Kees van der Hoeven, duizendpotige regelneef en sinds een jaar voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten BNA. Van der Hoeven (1951) was in de jaren negentig docent aan de TU Delft en ziet het als zijn missie jonge architecten te begeleiden.

Sinds jaar en dag neemt hij initiatieven om de architectenopleiding breedte te geven. Toevallig of niet is dit jaar juist bij de faculteit Bouwkunde in Delft - waar Van der Hoeven doceerde - de studieopzet totaal omgegooid, met in de tweede fase de mogelijkheid af te studeren in de combinatierichting architectuur/bouwtechniek. En voor Van der Hoeven doemt een nieuwe generatie op die de bouwtechniek weer serieuzer aanpakt. Als het aan hem ligt verlaat nooit meer een architect met bul in de hand de universiteit ofschoon hij nog geen trap kan tekenen. Aan het begin van het vraaggesprek legt de bouwmeester in zijn Wassenaarse woning een handzaam A5-boekje op tafel, zoals hij het ook aan eerstejaars studenten gaf: een allereerste algemene inleiding.

Architecture for dummies?
Ha, nee. Zo moet je dat niet zien. De Algemene Inleiding Bouwtechnisch Ontwerpen komt uit de koker van mij en twee ouderejaars in Delft. Studenten gaven aan: Er is wel een Jellema-serie, maar we missen het overzicht. Toen zei ik tegen ze: laten we dat dan maken. We hebben toen de onderwerpen die we wilden beschrijven gerubriceerd onder de klassieke elementen: water, lucht, aarde, vuur en de dimensie tijd. Bij 'water' vertellen we bijvoorbeeld iets over vervoer, klimaat, draagkracht, energie, neerslag, waterdichtheid, hellende en platte daken. Onder draagkracht over fundering en drijvende woningen. De neerslag per jaar. Over de gevel: daar komen water en wind samen en van binnenuit condens. En sanitair, afvoer en riolering, grondwater, verwarming en koeling, radiatoren, convectoren, vloerverwarming, alles wat met waterkoeling te maken heeft. Alles wat met water te maken heeft en wat zij in het vak tegen kunnen komen, wordt hier in een keer geintroduceerd. En aan het einde van het boekje worden nog wat structuren aangebracht. Zo hebben de eerstejaars aan het begin van de rit alles even in verband gezien. Een aantal mensen van de faculteit was het hier niet mee eens. Te weinig wetenschappelijk, te veel "middelbare school". Daar stoor ik me niet aan. Ik wilde een overzicht bieden en dat is me gelukt.

De TU Delft herbergt de belangrijkste architectenopleiding van Nederland en streeft ernaar om tot de beste vijf van de wereld te behoren. Het programma van de faculteit Bouwkunde is dit studiejaar ingrijpend herzien. Na een driejarige Bachelor-opleiding volgt een tweejarige Master-opleiding. De bacheloropleiding is breed, met een wetenschappelijke, technische en ontwerpcomponent met aandacht voor maatschappelijke en culturele aspecten. De tweejarige Masteropleiding biedt keuze uit vier hoofdrichtingen: Architecture, Building Technology, Real Estate and Housing en Urbanism. Ook is er een gecombineerde (driejarige) variant Architecture / Building Technology voor studenten die deze beide varianten willen afleggen. De faculteit bouwkunde van de TU Eindhoven maakt ook een omslag naar het bachelor-mastermodel, maar doet dit geleidelijk in vijf jaar tijd.

Van der Hoeven, hoewel ooit docent aan de TU Delft, is geen wetenschapper, zo geeft hij ruiterlijk toe. "In Delft zei men: 'Kees is niet diep, Kees is breed". Van der Hoeven is inmiddels docent-af maar blijft onvermoeibaar actief in voorbereiding van jonge aankomende architecten op de beroepspraktijk. Feit is dat de aandacht voor techniek bij de student zelf vaak ondermaats is. De BNA heeft niet voor niets een Post-initiele opleiding Architectuur en Stedenbouw (PAS) in het leven geroepen. Die overigens wegens gebrek aan belangstelling is opgeheven, hoewel aan de bittere noodzaak niemand twijfelt.
Van der Hoeven: "Instromers op de bureaus ontmoeten nog steeds allerlei aspecten van het vak die op school niet aan bod kwamen. Hoe komt een opdracht tot stand - en alles wat ermee samenhangt, op juridisch en contractueel gebied, afspraken, intenties... Het uitwerken van ontwerpen is meestal de kracht van de beginnend architect. Maar als het gaat om materialisering en maatvoering, gedurende de eindfase van het definitief ontwerp, en het leiden van het proces is het verhaal anders. Daar moet je wat aan doen."

Maar dat zijn toch specialismen?
Zeker, maar de BNA meent dat je geen volwaardig architect bent als je deze zaken niet beheerst. Bijvoorbeeld de projectleidersrol tijdens voorbereiding en uitvoering, die van directie en toezichtÉ dat leer je niet op school. Ik spreek uit ervaring! Zelf heb ik op het gebied van 'harde' techniek altijd hulp nodig gehad. Bij een grote opdracht als de uitbreiding van het ministerie van Verkeer en Waterstaat is de zeer ervaren Karel Rosdorff te hulp geschoten omdat ik geen ervaring had met prefabbeton. Hij had net die techniek gebruikt voor het ministerie van OCenW in Zoetermeer. Samen hebben we het ontwerp uitgewerkt.

Opheffing van de PAS leidt nu tot intensieve samenwerking met het Bureau Rijksbouwmeester om het opzetten van experimenten binnen bureaus mogelijk te maken. Een soort stage achteraf die handen en voeten moet geven aan een combinatie van leren en werken.

Critici zeggen:ontwerpen is al zulke complexe materie, voor de uitvoering en praktijk heb ik geen tijd?
Prima, maar de BNA stelt dat een "aankomend" architect alle aspecten tot zich moet nemen. Bij een klein bureau kun je het gehele proces van a tot z meemaken, maar ben je vaak afhankelijk van de visie van één persoon. Bij een groot bureau zitten specialisten die dieper op verschillende aspecten kunnen ingaan. Onze insteek is aldus: een bouwkundig ingenieur uit Delft kan zich direct inschrijven in het architectenregister, maar daar zou eigenlijk een leerfase tussen moeten zitten. Aantoonbare praktijkervaring. ZoÕn verplichte 'initiatie' staat de wet nu niet toe, maar is wel ons streven. Zal lastig zijn. Zonder politieke druk werken we ontspannen aan planvorming, met de Rijksbouwmeester en ook samen met niet BNA-bureaus. Eind 2002 komt er meer duidelijkheid.

De BNA wil de instroom van jonge architecten bevorderen. Zo heeft zij een aparte vraagbaak gecreëerd. BNA wil hen direct na de studie volgen, in contact treden, een 'ervaringscomponent' bieden. Van der Hoeven put uit het verleden: "Ik heb tweedejaars in groepjes een gebouw laten 'decomponeren' gedurende een door Mick Eekhout opgezette oefening Productie en Uitvoering, eigenlijk opnieuw ontwerpen in materiaal. In een rollenspel, toen heel populair natuurlijk. Een architect, een aannemer, een bouwmanager, een installateur en een afbouwer. Tijdens het proces, dat overigens via internet werd 'gespeeld', verwisselden de rollen. Alle aspecten van een bouwwerk kwamen aan bod. Ontwerp, initiatief, realisatie, beheer.
Ook bij Bouwmanagement gaf ik les in een oefening Realisatie genaamd M3. De virtuele aannemersmaatschappij schreef in met een begroting voor een politiebureau, daarna volgden voorstellen, formele uitroeping van de winnaar enzovoort. Net echt! Ze maakten met een leverancier afspraken over waterzuivering in het gebouw, of eisten een garantie van een miljoen liter water per jaar. Build, operate, transfer. Niet het gebouw, maar de dienst stond centraal. Dat is essentieel. Daarmee wordt het laterale denken ontwikkeld waardoor ze eenmaal als architect voor een probleem niet altijd direct de bouwkundig oplossing zoeken, maar zich in een eerdere fase afvragen: hoe kunnen we dit beter aanpakken."

Van der Hoeven coachte als docent veel jonge architecten en is nog steeds mentor voor een aantal studenten in hun eindfase. Hij maakt actief gebruik van het internet. Hij kijkt kritisch naar redactionele keuzes in tijdschriften en houdt sedert vijf jaar bij hoeveel pagina's jaarlijks aan welke architect zijn besteed in per tijdschrift, volgens een in Duitsland bedachte formule. Daar komt een soort top veertig uit voort, te bekijken op www.architectenwerk.nl/top40. Iemand in dat lijstje staat hoger aangeschreven en krijgt eerder opdrachten. Via die lijst is Paul de Ruiter (zie pagina 11) ook aan een opdracht gekomen. Hij is een technische architect en heeft een nieuw type klimaatgevel ontwikkeld. Zowel een architectuur-minded als wetenschappelijk geinteresseerde. Dat heeft hem veel citaties in de vakbladen opgeleverd en zo kwam hij in de top 40 terecht.

Van der Hoeven pleit voor een soort kwaliteitsgids op architectuurgebied waarin je kunt opzoeken bij wie je wat kunt halen, met veel specifiekere informatie dan die voorradig is: hoeveel mensen werken bij bureau X, welke disciplines zijn vertegenwoordigd bij bureau Y: "Je hebt soorten architecten, net zoals je huisartsen en specialisten hebt. Voor een dakkapel ga je niet naar MVRDV en voor een ziekenhuis bel je niet het eenmansbedrijf om de hoek. Dat overzicht moet helderder. Daarom gaat BNA de breed werkende bureaus, dus met meer disciplines in huis, nader profileren. Die kunnen ook adviezen leveren op gebied van installaties, constructies of management. Of ze hebben een onderzoeksdiscipline is huis.
Kijk, de vaardige architect kan drie dingen heel goed: hij kan maatschappelijke vragen omzetten in een of meer concepten ter oplossing, hij is getraind om die concepten om te zetten in ruimten, en hij kan beelden genereren die we kennen en vooral die we niet kennen. En hij heeft ook nog eens veel verstand van bouwen en van regels, zodat die beelden daadwerkelijk tot stand gebracht worden."

"Natuurlijk zijn er architecten die meer affiniteit hebben met het middendeel of juist met het conceptuele deel. Rem Koolhaas is een fantastische architect als het gaat om concepten. En is er bij een project 'no money' dan komen er bij hem ook 'no details', zoals bij de Kunsthal. Maar het is goed als anderen er complementair om heen werken die andere aspecten vertegenwoordigen. Ik ben een eenmansbureau, ik teken hier aan mijn computertje, en als ik aan de definitieve ontwerpfase kom werk ik samen met Bouwstart uit Nieuwegein, een bureau dat er gepokt en gemazeld in is. Ik kan mijn eigen tekenaar kiezen en mijn eigen projectleider. Dus die samenwerking levert weer een mini-architectenbureautje op. Maar er zijn ook collega's die een en ander helemaal aan dat bouwbureau overlaten. Ook prima, als je maar aan je opdrachtgever duidelijk maakt wat je wel en niet kan. En waar je goed in bent. Zonder Stabu-licentie mag je aan de klant niet vertellen dat je bestekken kunt maken."

Van der Hoeven neigt meer en meer naar architectuur als product. "Opdrachtgevers moeten meer mogelijkheden krijgen om bijvoorbeeld uit een catalogus oplossingen te kunnen kiezen. Een rijdende kantoorkamer is mijn reactie op de flexwerk-ontwikkeling. Mijn kritiek daarop - ontheemding - leidde naar mijn zoektocht naar een eigen werkplek van 2,26 m in het kubiek, het flexwerkoppervlak, met dossierruimte en zelfs een ontvangstplek. Het was mobiel want het stond ook op wielen. Dat leidde weer naar mijn verzameling voorbeelden van kleine architectonische oplossingen. Gut, als je op het internet de beschikbare collectie gazebo's (prieeltjes-red.) bekijkt word je niet vrolijk. Ik zou dat beter kunnen, maar wanneer moet ik ervoor gaan zitten? Heb ik toch geen tijd voor. Maar de wereldmarkt voor prieeltjes is enorm, dus m'n handen jeuken."