18-09-1992 In memoriam Prof. H. Th. Oudejans - architect, leermeester en docent, architectuurfilosoof en vriend

Lieve Ina, Douwe en Tobias, lieve mensen

Het is niet mogelijk om Har Oudejans, van wie we vandaag afscheid nemen, in woorden te vatten.
Ik kan slechts een poging doen een aantal aspecten van zijn rijke persoonlijkheid aan te raken. In de gekozen volgorde groeit de subtiliteit van energie: Har als architect, Har als leermeester en docent, Har als architectuurfilosoof en Har als vriend. Ik begin met op de achtergrond een voor Har dierbare tekst van Multatuli:
'Elke denkbare ruimte heeft voor ons arme, kleine, domme mensen een grens, omdat we niet geleerd hebben ruimte anders dan door grenzen te bepalen.'
Har las me de tekst jaren geleden voor en hij kwam rechtsstreeks aan. De woorden zeggen veel over hemzelf: zijn liefde voor het mens-zijn en het altijd meteen weer relativeren daarvan; zijn zoeken naar de grens en het daarachter nog verder zoeken naar de grens; zijn kijken naar, zijn beleven van en zijn liefde voor het begrip ruimte.
'Over ruimte die niet begrensd is, kan niet worden gesproken' schrijft hij zelf.

Har als architect - zijn werk met de materie

Van jongs af aan heeft Har ontworpen en gebouwd. De beelden van die gebouwen zitten als dia's in Uw en mijn hoofd: Het werk bij Merkelbach en Elling, als zelfstandig architect de verbouwingen in Edam, de vrijstaande woonhuizen, Swifterbant met de vissebektoren, de bibliotheek in Barneveld en de Koningshof in Maassluis met de vieringruimte van maar 2 meter 26 hoog en de prachtige ruimtelijke dakbalken van de kerkzaal. En niet te vergeten zijn eigen woonhuizen, onder andere aan het Singel, het altijd speciaal gastvrije in Vellereux en in Nuenen. Daar veranderde hij de ruimte die hij aantrof tot die echt bij hem paste, en dat was altijd snel zichtbaar.

'Bij Elling verdiende ik een dubbel salaris, want ik werkte voor twee' zei hij trots. Hij vertelde de laatste tijd vaker over die beginperiode. Wij nu 3d-perspectieven uit de computer, hij een minutieuze 1: 500 potloodtekening van de complete langsgevel van het Stations-postgebouw aan de IJ-oevers. Hij had als vakman niet veel gereedschap nodig: het kleine aluminium vulpotloodje, een klein opschrijfboekje en zijn schrijfmachine.

De publicatie in Forum in 1959, nadat hij op de redactie grote indruk had gemaakt met zijn eenvoudige en doeltreffende oplossingen, zoals bijvoorbeeld voor een gemetselde stoep, net iets weggeschoven uit de as van de voordeur omdat een mens nu eenmaal niet precies in het hart van de deur binnenkomt.

De werktekeningen van Barneveld met naast de plattegronden slechts een tekening 1: 20 met daarop dertien doorsneden, alles gemaatvoerd met de Modulor. Als meneer Pater, de uitvoerder dan belde: 'Meneer Oudejans, ik zie hier een maat die niet in het systeem past, ik dacht, ik bel even, misschien zie ik het fout?' dan kon Har na het horen van de maat ongezien zeggen: 'U heeft gelijk meneer Pater, mijn fout, past u de maat maar aan'.

Het laatst gerealiseerde werk maakt op mij de meeste indruk: de 'tweede kamer' bij het huis in Nuenen. Daar zijn de belangrijke aspecten van het oeuvre van Har volgens mij het meest intens aanwezig. De uiterst bescheiden maar duidelijke middelen: de muur, de vier kozijnen met hun vele mogelijkheden, de behandeling van het daglicht en de ruimtelijke beleving. Eenvoud in de meest pure vorm, zoals in zijn eigen mens-zijn, met een gelaagde ruimtewerking die begint bij de feitelijke ruimtemaat van vier bij zeven, dan overgaat in de verdubbeling van die ruimte, samen met de binnenplaats en uiteindelijk blijkt, als je goed kijkt, de echte grens van de ruimte 400 meter verder te liggen in het centrum van het dorp.

Har als docent - zijn werk met mensen

In de vier jaar bouwkundestudie die voorafgingen aan mijn kennismaking met Har, waren we hem natuurlijk al wel eens tegengekomen, die forse man met die bijzondere uitstraling. Er werd met ontzag over hem gesproken en je kon er donder op zeggen dat er altijd wel iets bijzonders gebeurde als je samen met hem in de lift stond.
We leerden hem zoals zovelen pas echt kennen in de A12-oefening. Dat bleek andere koek, bevlogen verhalen over het vak, eindelijk echt wat leren over materiaal en constructie, van een bouwkundig middel een architectonisch middel maken... er ging een wereld voor ons open. En als je er even niet bij was, wees hij naar je en vroeg: 'Wat vind jij ervan?' Hij was nog werkelijk geinteresseerd in jouw mening ook, maar meestal moest je het antwoord schuldig blijven.

Samen op excursie naar de binnenstad van Amsterdam , waar hij zich midden op straat ineens zodanig boos maakte op een slordig ontworpen gevel dat er een oploopje ontstond, waarna hij je plotseling aankeek en zei: 'Wat een onzin he..., of niet?'... Hij leerde ons zo zelf te kijken, zelf te denken, zelf te kiezen. En daarna natuurlijk naar het Singel waar Ina ons gastvrij ontving. Veel dia's, veel drank, zijn beroemde bellenfilms, veel verhalen... de laatsten verlieten pas diep in de nacht het pand.

Of de college's, in zaal A voor de eerstejaars. Hoewel Har het moeilijker vond om voor zulke grote zalen te staan, was hij de enige hoogleraar die toen regelmatig spontaan applaus kreeg. Hij riep Taco voor straf naar voren - het zien van goede bekenden in de zaal stoorde hem in zijn concentratie - om de architectonische ruimte te laten zien met zijn handen. En dan liet hij hem rustig een kwartier staan voor driehonderd man. De werk-college's voor groepen die wat kleiner waren, waar een rijke verzameling onderwerpen diepgaander behandeld kon worden. De werkstukken zijn gelukkig allemaal bewaard gebleven, hoorde ik van Hans Schlotter, die hem daarbij assisteerde.

Of de ouders van studenten die spontaan opbelden om te vragen wat dat nou was met die professor na de verhalen van hun kinderen. Zo belde eens een boer uit de Noord-Oostpolder omdat zijn zoon onduidelijk was geweest over de beoordeling van een plan door de medewerkers van Har, waardoor hij zijn zoon weer drie maanden langer moest onderhouden. Beiden spraken later met trots over dit telefoongesprek, want contact tussen ouder en professor was uniek. Natuurlijk is het goed gekomen, de betreffende student is nu een belangrijk architect in Den Haag.

Maar bij het afstuderen bleek de grootste didactische kracht van Har. In de regelmatige gesprekken gedurende zo'n twee jaar, was hij in staat om bijna niet over je plan te praten, tot je er haast moedeloos van werd. Andere onderwerpen kwamen aan de orde, zodanig dat je voor de ontwerpproblemen zelf de oplossingen zou vinden. Het afstudeerplan was dan ook tijdens de studie vaak het eerste plan dat je echt zelf had gemaakt. Hoewel hij de makke's van die plannen natuurlijk vlijmscherp en direct zag, was hij in staat om jouw potlood niet te pakken; hij is - wat mij betreft tijdens de studie en ook later in de praktijk - de enige van wie ik die kracht heb mogen meemaken. In de begeleiding van studenten merk ik zelf nu ook dat het bijna onmogelijk is om van hun plannen af te blijven.

Har als architectuurfilosoof - zijn werk met gedachten en taal

Tijdens die jaren in Delft is Har zijn ideeen gaan opschrijven. Hij keek voor ons en deelde wat hij zag via de taal aan ons mede. Langzaam vormde zich een oeuvre van teksten, die - eerst genummerd zoals bij Multatuli- en later van een koptekst voorzien, werden gebundeld als dictaat.
De onderwerpen van zijn teksten lopen uiteen van simpele alledaagse dingen zoals de verschuivende schaduw van een koe op de muur tot filosofische verhandelingen over abstracte begrippen zoals 'uitgebreidheid van de ruimte' en 'het phi-fenomeen', begrippen die hij eerst zelf moest uitvinden om er vervolgens over te kunnen schrijven.

Een hoogtepunt in 1990 was het verschijnen van zijn teksten in een boek: 'Verstandhoudingsmiddelen', ik heb het hier bij me, met de hem zo dierbare tekening van Douwe op het kaft. Als U het niet kent, mag ik U aanraden het te gaan lezen. De teksten, hoe moeilijk ze soms voor ons te begrijpen zijn, moeten volgens mij de wereld over om zoveel mogelijk architecten aan te raken.
Dinsdag vertelde een architect - een oudleerling van Dom van der Laan - me over het moment dat hij begon met lezen. Hij had het boek in Delft opgeduikeld en reed met de auto naar zijn huis in het Zuiden des lands. Op weg naar Rotterdam keek hij zo eens opzij naar de tekst op de eerste bladzijden en dacht He, dat is waar... en las verder, en dacht weer, verdomd, dat is ook waar..., uiteindelijk had hij de helft van het boek verslonden toen hij thuis aankwam. Kon ik het maar aan Har vertellen, want het boek is toch de voltooiing van zijn liefde voor de architectonische ruimte in combinatie met zijn liefde voor de taal.

Van een psycholoog vernam ik dat het ruimtelijk inzicht en de gevoeligheid voor taal in hetzelfde deel van de hersenen huizen, en dat het daarom maar weinig voorkomt dat beide aspecten tegelijk hoog ontwikkeld zijn. Of het waar is weet ik niet, wat ik wel weet is dat Har die zo bijzondere spiritualiteit bezat, maar dat het hem het afgelopen jaar door zijn ziekte niet meer gegeven is geweest uit die bron in zijn hoofd te putten.
Voor die tijd schreef hij nog veel - ook prachtige dichtregels. Hij sleep zijn teksten [waaronder de 26 genummerde stukken over ruimte] zoals een scharesliep een mes, telkens opnieuw en probeerde zo door te dringen tot hun kern. In mijn archief vond ik weer een aantal teksten terug die hij je bij wijze van proef meegaf, met het verzoek om commentaar. Ze laten, in een andere volgorde geplaatst, zijn zoeken naar de kern van het begrip 'ruimte' wellicht duidelijker zien.

Ik lees drietal zinnen:
'Ruimte is waar alles plaats vindt'.
Een andere is korter: 'Ruimte omvat alles'.
En nog kernachtiger: 'Ruimte is. Aldus'.

Tot slot: Har als vriend - zijn werk met liefde

Het is altijd weer een wonder, wanneer je die subtiele energie mag voelen , die tussen mensen kan stromen. Die zoveel omvattende energie die niet in taal is uit te drukken en die door ons wel vriendschap of nog beter liefde wordt genoemd. Van liefde had Har veel te geven. Soms kon je het gewoon aan hem zien... Har was namelijk niet alleen abstract, hij was ook heel concreet.

Wilt U in gedachten nog eens met me mee kijken... naar die grote man?... Als hij tegenover je stond of je aankeek, liggend op het bed in de kamer? Die rijzige gestalte, soms wat onhandig in de beweging, maar altijd trefzeker in de uitstraling... Zijn grote, maar ook tedere handen, geconcentreerd dat kleine potloodje sturend... Zijn lieve ogen achter die bescheiden brilleglazen, met daarboven die opvallend omhoogkijkende wenkbrauwen. Voorlezend uit zijn eigen gedichtenbundel... Soms meer of minder verdrietig, maar soms ook met het hele gezicht op intens lachen, schuddebuikend tot we niet meer op konden houden.
Het was een voorrecht om die momenten mee te mogen maken.

En als je, wisselend in de tijd of door omstandigheden, naar je gevoel een beetje meer of minder naar rechts verschoof op de schaal tussen vriendschap en het tegenovergestelde daarvan, dan wist je achteraf dondersgoed dat dat bijna altijd had gelegen aan je eigen onvermogen tot het ontvangen of het geven van liefde. 'De vorm van het niet wordt bepaald door de vorm van het wel', schreef hij zelf.
Vanuit zijn liefde was hij streng maar rechtvaardig, een vader gelijk... Hij deed geen water in de wijn en spoorde je immer aan tot het verhogen van de kwaliteit in je leven en werk. Gelukkig nam hij zelf ook veel ruimte, maar altijd gaf hij geconcentreerde aandacht aan een persoonlijke vraag.

Voor Har was ruimte volgens mij gelijk aan liefde, en andersom, liefde gelijk aan ruimte.
Har was een schat van een man.
Har was. Aldus.

18-09-1992