

 |
 |
Mevrouw de Wethouder,
Waarde Dijkstra,
Dames en Heren,
Het is voor mij een grote eer om vandaag het boekje over architectonische kwaliteit van de hand van Tjeerd Dijkstra in ontvangst te mogen nemen. Niet als voorzitter van de Koninklijke Maatschappij ter bevordering der Bouwkunst, Bond van Nederlandse architecten BNA, want dat ben ik pas in januari aanstaande, maar vooral omdat onze beider paden elkaar al meer dan 30 jaar regelmatig kruisen.
In de zeventiger jaren volgde ik als student in Delft zijn beroemd geworden projectencolleges. In 1980 viste hij mijn sollicitatiebrief uit de grote stapel en beval hij mij aan als regionaal architect bij de Rijksgebouwendienst in Den Haag, waar ik 10 jaar lang - grotendeels onder zijn leiding als Rijksbouwmeester - mocht werken. Aan het einde van die periode in 1990 werd mijn tot nu toe grootste werk, de 11.000 m2 grote nieuwbouw van het ministerie van Verkeer en Waterstaat in Den Haag opgeleverd. Voor mij als dertiger een enorme opdracht, waarbij Tjeerd Dijkstra in de voorbereiding een belangrijke rol heeft gespeeld. Bij zijn afscheid als Rijksbouwmeester kon ik hem als jongste namens alle 25 architecten bij de dienst toespreken en tenslotte mocht ik de afgelopen twee jaar zijn voormalige leerstoel in Delft bezetten voor een tijdelijke leeropdracht in het onderwijs in het bouwtechnisch ontwerpen.
In die Rgd-tijd ontspon zich een behoorlijke strijd tussen het toenmalige regionale management en de Rijksbouwmeester waarin vooral de kwantificeerbare aspecten van het ontwikkelen van gebouwen aan de hand van onder meer de prijs/kwaliteitsverhouding de boventoon dreigden te voeren. Dijkstra nam toen het moedige besluit - overigens daartoe uitgedaagd door die managers - om zijn architectonische kwaliteitscriteria op schrift te stellen.
U en ik weten inmiddels waar dat toe heeft geleid: zijn Notitie uit 1985 vormde uiteindelijk de aanzet voor een drietal ministeriele Architectuurnota's en een groeiende aandacht voor de voorwaarden waaronder goede architectuur tot stand kan komen.
Zo ook weer vandaag - meer dan 15 jaar later - op uw congres over de nieuwe Zaanse Welstandsnota. Dijkstra's teksten vormden de basis ervan en ze staan daarom weer in het middelpunt van de belangstelling. Daaruit blijkt ook weer dat architecten die schrijven vaak meer invloed hebben met hun woorden dan met hun vaak niet meer bestaande gebouwen. Beroemde voorgangers als Vitruvius, Alberti en Palladio en later Ledoux en Violet-le-duc kennen we dan ook vaak beter via hun boeken dan via het architectonische werk.
Ter voorbereiding van een toekomstig onderzoek ben ik de laatste jaren opnieuw in de architectuurtheorie en het daarin gevoerde debat gedoken. Herlezing van de tekst van Dijkstra's notitie levert dan ook wel een aantal punten voor discussie op. Ook de theorien van jongere architecten als Dom van der Laan, Aldo van Eyck, en vooral Robert Venturi blijken door hem te zijn verwerkt zonder met name genoemd te worden; het zou daarom - ook voor de minder geoefende lezer - zeer interessant zijn om een verwijzende literatuurlijst aan de notitie toe te voegen...
En een stokpaardje van mijn eigen leermeester Oudejans kwam bij het lezen ook weer binnen: waar Dijkstra vertelt dat de architectonische ruimte wordt afgezonderd, c.q. afgenomen van de natuurlijke ruimte, betoogde Oudejans in zijn boek 'Verstandhoudingsmiddelen' dat de architectonische ruimte juist aan de oneindig grote natuurlijke ruimte wordt toegevoegd; die architectonische ruimte bestond daarvoor immers nog niet; en iets dat oneindig groot is kan nu eenmaal niet kleiner worden.
Toch resteert natuurlijk de bewondering voor dit werk van Dijkstra. Het boekje levert - ook voor leken - een helder omschreven begrippenapparaat voor de discussie over gebouwd en nog niet gebouwd architectonisch werk en het zal ongetwijfeld een belangrijke rol gaan spelen in de enorme operatie die het gevolg is van het op nieuwe leest geschoeide welstandstoezicht. Alle Nederlandse gemeenten zullen eraan moeten geloven en het beperkte aantal penvoerende architectuurkenners in Nederland gaat dus gouden tijden tegemoet...
Ook indienende architecten kunnen er denk ik goed mee uit de voeten, hoewel een geschreven tekst natuurlijk de feitelijke beperking kent dat hij per definitie retrospectief is. Het is daarom interessant om te volgen hoe het werk van grensverleggende architecten als Frank Gehry, Daniel Libeskind en Rem Koolhaas via dit toetsingskader zal worden beoordeeld. De uitspraak van Koolhaas 'geen geld-geen details' staat toch op gespannen voet met het in de nota genoemde zorgvuldige materiaalgebruik...
Een regelmatige evaluatie van de resultaten van dit begrippenkader ligt daarom voor de hand, maar dat zal vast en zeker gaan gebeuren in ons Nederlandse polderbestel.
|
 |
 |
 |
Dames en heren, ik wilde u tot slot 1 plaatje laten zien. Het is een geveltje van Oudejans in Edam, in het werkgebied van de Welstandszorg Noord-Holland. In zijn tijd was het een moderne ingreep die ervoor zorgde dat de architect door een groot aantal van zijn stadgenoten niet meer werd gepruimd. Maar het laat op onnavolgbare wijze zien dat de vormen die wij als architecten bedenken natuurlijk eerst moeten kunnen worden begrepen door degene die ze toetst, daarna door degene die ze moet uitvoeren en tenslotte door degene die ze gaat gebruiken.
En dat u kunt u aan de hand van dit voorbeeld eenvoudig zelf testen: pakt u maar eens een willekeurige deurknop beet en kijkt u dan - op het moment dat u de deur wilt openen - naar de plaats van uw beide voeten. U zult zien dat ze niet in het midden van de deur staan, ze staan iets verschoven uit dat midden, namelijk van de hangkant van de deur af...
Maar waarom liggen deurmatjes dan altijd in het midden?
Het vakmanschap van de architect van deze gevel is daarom evident zichtbaar.
Wim Quist - de voorganger van Tjeerd als Rijksbouwmeester - zei eens dat de architect niet meer 'slordig en hinderlijk' in zijn gebouwen aanwezig hoort te zijn en ik ben het daar van harte mee eens. In zijn afscheid als huisarchitect van het Amsterdamse Rijksmuseum betoogde hij dat er uiteindelijk niets mooier is als een beschouwer ook nog kan zien dat het met liefde is gedaan.
En daar gaat het wat mij betreft om - ook bij Tjeerd Dijkstra - de liefde voor de architectuur en haar gebruikers.
Ik hoop dan ook dat zijn teksten bij u - politici, ambtenaren, toetsers en indieners - het stoepje in uw hoofd een beetje uit het midden zullen verschuiven... en dan maakt het mij niet uit of dat naar links is of naar rechts. Of naar voren of naar achteren; in dat laatste geval zegt u geloof ik 'in verdan'.
Ik dank Tjeerd voor het door 010 Publishers uitgegeven boek en ik wens u allen bij het gebruik ervan veel vakmanschap en liefde toe.
Ik dank u voor uw aandacht. |
 |