

 |
 |
Geachte toehoorsters en toehoorders,
Het is voor mij een grote eer om vandaag in deze bijzondere kerk van architect Kropholler het 'Zakboek voor de Woonomgeving' van de hand van Willemijns Wilms Floet en Esther Gramsbergen in ontvangst te mogen nemen. Niet als voorzitter van de Koninklijke Maatschappij ter bevordering der Bouwkunst, Bond van Nederlandse Architecten BNA, want dat ben ik pas in januari aanstaande, maar als een oud-bewoner van deze prachtige Linnaeushof.
Ik sprak al wel eerder in kerkzalen, maar dat was meestal vanwege verdrietige gelegenheden zoals het overlijden van geliefden. Ook ben ik niet rooms-katholiek opgevoed, maar protestant, hoewel dan weer wel als achterkleinzoon van een dominee.
Om in de juiste sfeer te komen daarom een paar dichtregels van Gerard Reve, de beroemde volksschrijver, die niet ver hier vandaan, in Betondorp werd geboren. Het gedicht uit 1977 heeft als titel 'Apologie':
Toen ik rooms-katholiek werd,
werd mijn haar, dat grijs begon te worden,
opeens weer donkerblond.
Mijn bloeddruk daalde,
terwijl mijn jaarinkomen van die dag af fors bleef stijgen.
Er blijven wel bezwaren,
maar bij zoveel genade moet ik wel erkennen:
de Kerk van Rome is de Ware Kerk.
En voor architecten, dames en heren, zijn kerken en kathedralen natuurlijk belangrijke gebouwen, die als het goed is, in onze opleiding een plaats hebben gekregen via de lessen in de architectuurgeschiedenis. Architecten bezoeken ze ook graag, de hoogtepunten liggen goed bereikbaar in heel Europa.
Bedoeld voor de samenkomst van mensen en het gezamenlijk vieren van de liturgie van het bijbehorende geloof, speelden ze echter ook als gebouw een belangrijke rol in het dagelijks leven van onze voorvaderen.
Zelf ken ik ze vooral in Spanje, zoals de kathedralen van de provinciehoofdsteden in Leon en Toledo. In Leon domineert het gebouw met de hoge torens het centrale stadsplein en valt bij binnenkomst vooral het prachtige licht op, dat hoog boven ons in een bijna surreeel 'Yves Klein'-achtige blauwe gloed door de gebrandschilderde ramen op ons neerdaalt. Omdat de ramen vanwege de enorme hoogte van de kerk onmogelijk aan te raken zijn, schreef de reizende Spanjekenner Cees Nooteboom [uit 'Op weg naar Santiago' ]:
[...] 'Ik wil naar boven, de lucht in, langs die ramen vliegen waarvan ik anders de voorstellingen in een boek moet opzoeken omdat ze zo hoog en zo ver zijn. Voor wie is toch eigenlijk de bovenkant van kathedralen? Voor het oog, dat zal wel, de proportie, de ruimte, maar de laatste die er dichtbij geweest is, was een metselaar die alweer honderden jaren dood is. Als ik dat nu eens wil? En ik stel het me voor, vliegend langs die hoge kruisgewelven met langzame vleugelslag, langs de met betekenis en verhaal geladen ramen en rozetten, bestreken door de kleuren, een tropische engel uit Holland' [...] en zo gaat hij nog een bladzijde verder...
U denkt wellicht, waar wil die man naar toe, maar weest u gerust, we dalen vanzelf weer af naar het Amsterdam van vandaag.
Minstens even hoog als in Leon, maar vele malen groter qua oppervlakte is de kathedraal van de stad Toledo. Het enorme gebouwencomplex is bijna geheel opgenomen in de middeleeuwse bebouwing en fungeert dan ook met zijn meerdere ingangen als een onderdeel van de beweging in die stad. Ik wist niet hoe ik het had toen ik de dames met hun volle boodschappentassen zag lopen door de vijfbeukige ruimte, hun route door de kerk was namelijk korter dan er omheen.
De ruimte was zo feitelijk onderdeel geworden van het dagelijkse leven en het openbare gebied.
En daarom ook - ondanks de onvoorstelbare rijkdom van gouden versiering en geschilderde kunstwerken - veel dichter bij ons als eenvoudige mensen dan in Leon.
Overigens zie je ook op de Hollandse kerkschilderijen van Saenredam vaker groepjes met elkaar pratende stedelingen afgebeeld, zelfs hun huisdieren behoorden daar tot de dagelijkse bezoekers.
In onze eeuw [ik bedoel natuurlijk de vorige, de twintigste eeuw] zijn er beroemde voorgangers in het architectenvak geweest, die de afstand tussen het heilige karakter van het kerkgebouw en ons als gewone stervelingen nog verder hebben verkleind. Zo hebben we ongetwijfeld allen wel een eens bezoek gebracht aan de beroemde 'Notre Dame du haut' van Le Corbusier in Frankrijk.
Daar deed Corbu wat mij betreft een prachtige uitvinding: hij plaatste het beeld van Maria niet in de aan haar opgedragen kerk, maar er buiten... in de negge van een van de hogere ramen kijkt ze van achter het glas naar ons, eenmaal buiten gekomen zien we slechts haar gehakte holle houten beeldenrug.
Alvaro Siza ging nog een stap verder in zijn recente, ook aan Maria gewijde kerk in Marco de Canaveces in Portugal. In de sublieme en maagdelijk witte kerk staat het eenvoudige mariabeeld bijna op de grond, zodat wij op haar neerzien en haar kunnen aanraken; pas als we echt op onze knieen gaan, staan we oog in oog met haar.
Tenslotte is een van de mooiste kerkgebouwen die ik in ons eigen land ken natuurlijk de Pastoor van Arskerk van Aldo van Eyck aan de Aaltje Noorderwierstraat in Den Haag. Het gebouw voldoet aan alle criteria die ik persoonlijk aan hoogwaardige architectuur stel.
Van buiten een simpele betonstenen bouwmassa die stedelijk ruimtelijk via een omliggende tuin is opgenomen in een nieuwbouwwijk; van binnen door de verhoogde beuk een kathedraal..., een prachtige ruimtelijk werkende draagconstructie en wij als bezoeker en gebruiker zeer serieus genomen door een architect die zelfs in de details niet meer slordig of hinderlijk aanwezig is.
Er speelt daar trouwens nog iets... het mooiste dat je kunt ervaren in een architectonische ruimte is dat je er wel eeuwig zou willen blijven... dat je er niet meer weg wil... en dat gevoel heb ik in die kerk van Aldo vaker gehad.
en ik was niet de enige; je kunt een dergelijke reactie ook bij kleine kinderen herkennen, die zijn er door hun onbedorven en nog niet afgeleerde gevoeligheid zeer vatbaar voor...
Jonge ouders kennen dat wel - je let in een gebouw even niet op - 'Waar zijn de kinderen?' - en dan blijken ze ergens verderop in alle rust op de grond te zitten kijken of te spelen.
|
 |
 |
 |
En dan zijn we weer in Amsterdam, precies waar ik was als vierjarig jongetje hier, achterin deze kerk, waar ik niet mocht komen, maar wel graag wilde zijn... De onbekende wierookgeuren opsnuivend, of luisterend naar de verstilde muziek, of me vergapend aan al die meisjes in hun mooie witte jurken met de strikken in het haar...
en ik had niet zo'n mooi jongenspak met zwarte lakschoentjes... de mannen in hun versierde gewaden...
een wereld waar ik niets van begreep, maar waar ik kennelijk toch veilig kon binnenkomen en weer weggaan.
En dat kwam natuurlijk door de bijzondere en preciese opzet van dit [ook in dit Zakboek voor de Woonomgeving opgenomen] Linnaeushof - in maat niet eens zoveel groter dan de kathedraal van Toledo, maar dan zonder dak.
Mijn moeder kon me in deze binnenruimte veilig buiten laten spelen en hoefde me alleen maar te verbieden het hof niet te verlaten. En voor haar had het hof vier uitgangen:
Die aan de Middenweg, de poort in de hoek, waardoor ik later naar de kleuterschool ging, de uitgang aan de andere zijde en de toegangsdeur van deze kerk, daar mocht ik niet in. En daarom deed ik het natuurlijk toch, en er was gelukkig altijd een vertrouwde dame, onze benedenbuurvrouw - Oma Sip van nummer 20 - die de kerk dagelijks schoonmaakte en verzorgde.
Met onze hoofden precies op de toegstane grens van de uitgang aan de Emmakerk-zijde lagen we met vriendjes op de stoep om de kentekens van de langsrijdende auto's op te schrijven in kleine notitieboekjes en we juichten als we weer een 'dubbele' hadden.
En als je iemand een briefkaart stuurde brachten we hem onder begeleiding naar de rode brievenbus achterop tramlijn 9 op de Middenweg, want daar begon de wereld... en je zag je brief daarin fysiek op reis gaan...
Eén keer ben ik trouwens zonder nadenken het hof uitgehold aan de Middenwegzijde en over het trottoir zover doorgelopen tot ik bang werd omdat ik de omgeving niet meer kende. Ik was verdwaald, maar de pompbediende van het Gulf-station bracht me gelukkig weer terug in de ongeruste armen van moeder.
Ja, zo kon dat nog in de 50-er jaren.
Het was een gelukkige tijd hier;
alleen mijn vader was er niet vaak, hij verdiende zijn geld op zee en werd vanwege dat werk elke drie jaar overgeplaatst. En zo verhuisde het gezin van de jonge marine-officier vanuit Amsterdam weer terug naar Den Helder. En u zult het geloven of niet... we kwamen terecht in een van de houten Oostenrijkse noodwoningen aan de Badhuisstraat 88 in Huisduinen, het project dat ook in dit boek is gedocumenteerd.
Nu een - weliswaar klein - maar vrijstaand huis met een tuin rondom;
als opgroeiende kinderen wisten we niet hoe we het hadden. En ook daar door de stedelijk ruimtelijke organisatie weer een gelaagde veiligheid in de openbare ruimte. Van het huis naar de tuin, van de tuin naar het garagepad en van het garagepad naar de smalle straatjes zonder verkeer. Het gevaar slechts aan de noordzijde van het wijkje met de drukke, grote Badhuisstraat en aan de zuidzijde de weg langs de duinen. Ook aan die jaren bewaar ik de beste herinneringen.
Zo beschrijft het Zakboek meerdere waardevolle woonomgevingen, juist om de ontwerper van vandaag voorbeelden te geven in een tijd waarin veiligheid en openbaarheid niet meer vanzelfsprekend zijn.
Zoals de kerken in Spanje stuk voor stuk worden gesloten buiten de mis-tijden - er wordt namelijk steeds meer kunst gestolen of beschadigd - zo wordt ook in Nederland steeds meer openbare ruimte afgesloten voor bepaalde groepen of geprivatiseerd door de kapitaalkrachtige medemens.
Afgelopen zaterdag schreef Bernhard Hulsman over die teloorgang van de openbare ruimte nog een prijzenswaardig artikel in NRC Handelsblad onder de titel 'Van yuppenbunker naar winkelkasteel'.
Een van de samenstellers van dit boek, Willemijn Wilms Floet, werkte eerder mee aan het grote oranje standaardwerk over 100 jaar Nederlandse architectuur onder redactie van Leen van Duin en Umberto Barbieri.
Na de boekpresentatie attendeerde ik mijn Delftse baas van toen - Professor Mick Eekhout - op de waarde van een dergelijk historisch overzicht, dat wat mij betreft nog ontbreekt als het gaat om het vak Bouwtechniek.
Hij repliceerde:
'Kees, ik heb in mijn werkzame leven nog nooit enig voordeel gehad van het achterom kijken... ik kijk liever vooruit'.
Wij weten natuurlijk wel beter. ook zijn auto heeft drie achteruitkijkspiegels, je kunt namelijk niet zonder.
Daarom steun ik initiatieven als dit boek van de Stawon van ganser harte. Het heeft inhoud, het beschrijft kwaliteit
en het sluit daarmee aan bij de doelstellingen voor de toekomst van de BNA en mijn eigen nieuwe rol daarin.
Wellicht dat een dergelijke thematische aanpak, samen met het ontwerpen van nieuwe bijzondere woonomgevingen, een vast onderdeel kan gaan vormen van het te vormen Ontwikkelatelier en misschien kan de hier opgebouwde kennis wel gedeeld worden met alle BNA-leden via het programma voor de Permanente Beroepsontwikkeling.
Het is verassend om te horen dat veel nieuwe jonge leden van de BNA juist lid worden van onze vereniging om te kunnen toetreden tot de studiestichtingen zoals de Stawon.
Na vandaag begrijp ik dat nog beter.
Misschien dat we gezamenlijk kunnen werken aan de uitbouw van jullie studie-activiteiten met nog meer inzet van jonge nieuwkomers, want ook dat is een van de speerpunten voor morgen.
En problemen om aan te werken zijn er genoeg: denk aan de individualisering, het nieuwe welstandstoezicht, de dalende woningbouwproduktie, de problemen van starters op de woningmarkt, de stijgende grondprijzen, het wilde wonen en de daarmee steeds diffuser wordende openbare ruimte.
En om de samenhang tussen gebouw en directe omgeving - juist in de wat minder bekende projecten - gaat het in dit voorbeeldige, door 010 Publishers uitgegeven Zakboek en ik wens het boek daarom zeer veel aandachtige lezers toe.
Graag feliciteer ik vandaag iedereen die eraan heeft meegewerkt en meebetaald
en ik dank u voor uw aandacht. |
 |