* In Memoriam Fer Felder (1948-2014)

Afgelopen dinsdag namen we afscheid van Fer Felder, volkshuisvester in voor- en tegenspoed. Onderstaand de tekst die Kees van der Hoeven tijdens die herdenkingsbijeenkomst in gebouw De Duif in Amsterdam mocht uitspreken.



Mij is gevraagd om iets te zeggen over Fer Felder als opdrachtgever. En dat doe ik graag, hoewel ik de belangrijke rol die hij de afgelopen 25 jaar mede voor architecten heeft vervuld, zelf maar deels heb meegemaakt.
Maar die eerste keer was al memorabel. In de vroege jaren negentig van de vorige eeuw coachte ik een groep startende architecten met de ambitie om een zelfstandige praktijk te beginnen. Ik richtte me op de aqcuisitie van opdrachten en keek over hun vier talentvolle schouders mee om mogelijke ongelukken te voorkomen. Met dat concept, nog aangevuld met een zekere brutaliteit zetten we een advertentie in het vakblad Archis, met als kop: 'Enthousiaste opdrachtgevers gevraagd voor het Jonge Architecten Atelier'.

Na publicatie gebeurde er wekenlang niets - om ons heen werd er zelfs gegniffeld over die ongebruikelijke actie - maar uiteindelijk kregen we één enkel telefoontje. U begrijpt het al, Fer Felder aan de lijn. We hadden zijn belangstelling gewekt en hij nodigde ons uit voor een presentatie bij Het Oosten. We maakten daar nader kennis met een vriendelijke, enigszins gereserveerde man, casual gekleed in spijkerbroek, met als finishing touch een prachtig fel-geel colbert, losjes om de schouders gedrapeerd. De presentatie slaagde en hij gaf de jongens een bescheiden studie-opdracht. Ook die was naar tevredenheid want er kwam aansluitend een heuse ontwerpopdracht voor de bouw van meer dan honderd woningen in de Amsterdamse Vrolikstraat...Om een lang verhaal kort te maken, die jonge architecten van toen zijn nu alweer vijftien jaar succesvol werkzaam als M3H Architecten in de hoofdstad.

In retrospectief kun je zeggen dat Felder, zelf in Aken opgeleid als architect, een trefzeker gevoel had ontwikkeld voor talent, voor architectonische kwaliteit en voor vakmanschap. En hij heeft die passie in zijn rol als opdrachtgever met grote zorg, maar ook met kracht en ambitie uitgedragen. Hij koos daarbij overigens niet voor één architectonische visie, zijn architectenkeuze besloeg het gehele spectrum, van moderniteit tot en met traditie, want hij kende zijn klassieken. In die breedte was hij denk ik zijn tijd vooruit. Naast MVRDV en Meyer en Van Schooten vroeg hij ook architecten uit ons buurland Belgie om voor hem te komen werken, zoals Charles Vandenhove, Jo Crepain en Bruno Albert. En erudiet als hij was, voerde hij de gesprekken met hen in vloeiend Frans.
Zijn waardevolle omgang met de stad en de architectuur, natuurlijk altijd in teamverband met zijn medewerkers, leverde hem in 1998 een van de eerste Piramides (in zijn geval voor Wonen) op, de prestigieuze Rijksprijs voor excellent opdrachtgeverschap. De jury roemde 'het beleid dat getuigt van een grote maatschappelijke betrokkenheid', maar ook 'de bereidheid tot experimenteren waarbij ook jongere architecten een kans wordt geboden'.

Zo groeide de waardering voor een bevlogen en cultureel geinspireerd opdrachtgever als Felder gestaag. En kwam je hem tegen bij allerlei manifestaties op architectuurgebied. In de marge van die bijeenkomsten werden onze gesprekken stapsgewijs persoonlijker van aard. Maar ook altijd welsprekend, humorvol en 'tongue in cheek' zoals hij kon zijn. 'Kees, het lijkt wel of iedereen in de zaal juist naar mij kijkt' fluisterde hij dan in mijn oor, waarop ik kon repliceren dat dat natuurlijk kwam omdat hij zijn kanariegele jasje weer aanhad... Dat sprong nu eenmaal in het oog tussen die in het zwart gestoken architecten. Of die uren dat we op IJburg moesten wachten op de vertraagde vlucht van architect Shigeru Ban. Waarin we onze zorg voor familie hebben gedeeld.

Dat thema 'zorg voor anderen' is goed herkenbaar in de nevenfuncties in zijn professionele bestaan. Zo was hij mede-oprichter en 20 jaar lang enthousiast bestuurslid van de Rietveldprijs, die jaarlijks de belangrijke architectuurprestaties in Utrecht en omgeving lauwert. En deden de vakbroeders zelden tevergeefs een beroep op hem; om zijn aandacht of deelname aan een debat of een jury, of zijn hulp bij een vakinhoudelijke studie. Denk aan dat waardevolle 'Zakboek voor de Woonomgeving', dat als resultaat van een onderzoek door de Stawon, mede onder auspicien van de BNA, ruimhartig door Felder werd gesteund.
Na zijn 10-jarig succes bij Het Oosten werkte hij enige tijd bij commercieel ontwikkelaar AM, hoewel ik niet zeker ben of hij zich daar werkelijk thuisvoelde. Daarom was het zo mooi dat hij in 2004 opnieuw in het hart van de volkshuisvesting aan de slag kon, nu als directeur van De Principaal. Toen we weer eens samen opliepen na de prijsuitreiking van de eerste BNA Gebouw van het Jaar Prijs in Dronten vertelde hij me over zijn ziekte. De diagnose, de prognose, maar ook zijn vastberadenheid om daartegen te vechten en volop door te werken.

Met opnieuw memorabel succes, het project De Dobbelman waarvoor hij samen met architect Marlies Rohmer de ontwikkelcompetitie had gewonnen, kreeg na oplevering wederom die belangrijkste Rijksprijs, ditmaal de Gouden Piramide genaamd. Ik geloof niet dat er één opdrachtgever in Nederland is die zoals hij die prijs twee maal kreeg uitgereikt. Als architecten moeten we hem dankbaar zijn voor de belangrijke rol die hij in ons vak heeft gespeeld. Hij waardeerde de kwaliteit en inventieve kracht van de vaardige architect, die hem liefst moest uitdagen tot het uiterste. Als hij of zij maar niet zélf op de stoel van de opdrachtgever ging zitten. Hij nam ons - ondanks zijn eigen architectenbloed - toch ook niet het potlood uit handen. Daarom zo verdrietig dat hij in 2009 moest besluiten, weer mede uit zorg voor anderen, om zijn directeurschap neer te leggen, omdat hij meende niet meer zijn volledige energie aan de zaak te kunnen geven.

Dames en heren, ik kom tot een afronding. De jaren daarna waren moeilijk. Hoewel men op de hoogte was van het zware gevecht tegen zijn ziekte, besloot zijn voormalige werkgever hem op welhaast surrealistische wijze aan te spreken op een oude beslissing, waarvoor hij formeel niet eens verantwoordelijk gesteld kón worden. Een deel van de buitenwereld en zelfs de zittende magistratuur besloot helaas in die bizarre gedachtengang mee te gaan. Waar ieder ander zou exploderen na zoveel onrecht, gebeurde dat niet bij Fer. Het sloeg bij hem denkelijk naar binnen, maar hij verloor zijn waardigheid niet, gebruikte de rechtsmiddelen die ons ten dienste staan en ging in beroep.
In die heftige periode vormde zich rondom hem gelukkig een groep oude getrouwen, die ieder op eigen wijze hun adviezen hebben omgezet in actie. Van stille diplomatie tot het opzoeken van de publiciteit. Die acties hebben uiteindelijk geleid tot een kanteling van de zaak, niet in de laatste plaats dankzij het indrukwekkende interview dat de jonge journalist Alwin Kuiken met hem maakte voor het dagblad Trouw. We kennen nu het resultaat. Via mediation werd een schikking bereikt, die Fer van alle blaam zuiverde.

Er kwam weer rust aan het front nu deze storm was uitgewoed, maar Fers buitenwereld was toch kleiner geworden. Zoals we hier zitten, weet u allen natuurlijk precies waar u zich bevond op die dunne lijn tussen vriendschap met Fer en het tegenovergestelde daarvan. En of u langs die lijn nog bent verschoven... naar links of naar rechts.
Fer concentreerde zich sindsdien vooral op zijn familie en hij kon nog op reis, met zijn vrienden van vroeger. En ook de volkshuisvesting behield zijn aandacht, mede onder invloed van het actuele beleid, of het ontbreken daarvan. Hij schreef nog een laatste prachtartikel over de door hem zo bewonderde arts Sarphati met enkele persoonlijke suggesties voor een betere toekomst. En hij genoot van de respectvolle wijze waarop hij werd ontvangen bij de boekpresentatie.

Mijn eigen ontmoetingen met Fer waren immer een groot genoegen. Een warm en lucide contact, begeleid door voedzame lunches en goede wijn. Het mooiste beeld dat ik van hem ken, de prachtige foto die Maartje Geels maakte bij het artikel in Trouw, heb ik u hier nogmaals laten zien. Met het 'tweevoudige' beeld van die fantastische man die we vandaag herdenken. Zijn voorzichtig aangroeiende haar, zijn vriendelijke, enigszins melancholieke oogopslag, zijn lieve glimlach, zijn gevouwen handen. Opnieuw casual gekleed, maar toch weer in stijl voltooid met dat blauwfluwelen jasje.

Ineens bedacht ik me dat je Maartjes foto ook kunt omdraaien, als een poging te ontwaren welk beeld hij die dag van zichzelf zou hebben gezien.

Ik beschouw het als een groot voorrecht om Fer Felder te hebben gekend.



[Foto: Maartje Geels. Zie ook het eerdere BOX-bericht 1.456 over Felders officiele afscheid in 2009.] - 30 april 2014 - BOX 1.664


* Hoe lang zijn DBFMO-selecties nog vol te houden?

Kortgeleden verscheen bij Architectuur Lokaal een interessant overzicht over de resultaten van Europese aanbestedingen in de jaren 2009-2013. Een van de aspecten daaruit - hoe gaat het bij die selecties met de deelnemende architecten? - heeft onze speciale interesse. Auteur Michel Geertse [gepromoveerd architectuurhistoricus en jurist] liet zien dat een beperkte groep architectenbureau zeer succesvol is bij die bestedingen. De top drie wordt gevormd door Atelier PRO, Kraaijvanger en Ector Hoogstad Architecten, gevolgd door RoyalhaskoningDHV, INBO, Arcadis, DMV en DP6. Omdat we de hier genoemde architecten nauwelijks tegenkomen bij de grote DBFMO-selecties van het Rijk zijn we speciaal bij die categorie eens wat dieper in de materie gedoken...



DBFMO staat voor 'Design, Build, Finance, Maintain and Operate' hetgeen betekent dat in concurrentie wordt ingeschreven door consortia die meestal bestaan uit een grote aannemer voor bouw en onderhoud, een of meer architectenbureaus, adviesbureaus voor energie e.d., financiele partners als een bank en facility bedrijven voor organisatie van de ondersteunende diensten gedurende de looptijd van 25-30 jaar van dit soort contracten. Bij elk project zijn vaak minimaal drie van die consortia betrokken, die dus alle een enorme diepte-investering in tijd en mankracht doen. Vaak met voorbereidingstijden van meer dan een jaar en een gerede kans [bij drie deelnemers dus 67%] dat ze de uiteindelijke opdracht niet krijgen. Nu steeds meer van die projecten zijn vergund - en er dus ook steeds meer consortia zijn afgevallen - is het de vraag hoe deze aanbestedingsvorm zal gaan overleven. Want hoeveel 'nieten' kan een grote bouwer of een groot architectenbureau financieel nog dragen in een dergelijke en gestaag voortschrijdende Rijks-loterij?



Het is verder volstrekt onzeker of deze aanbestedingsvorm inderdaad - zoals vaak wordt beweerd - minimaal 15% goedkoper uitpakt voor het Rijk. Bij de evaluatie van de renovatie van het ministerie van Financien heeft de Algemene Rekenkamer immers nogal wat kritische noten geplaatst. Daaruit bleek dat er ettelijke tientallen miljoenen euro's aan meerkosten waren aan te wijzen, op een totale contante waarde van ongeveer 170 miljoen voor de totale looptijd van het contract. En echte evaluatie is immers pas mogelijk aan het einde van de complete looptijd? En waar je dacht dat je als Rijk zo'n 25 jaar met dezelfde betrouwbaar geachte contractpartner in zee ging, is dat nu ook al niet meer zeker. Kortgeleden hoorden we dat dat eerste DBFMO-contract inmiddels zelfs is doorverkocht aan andere partijen...
Ook zijn er in deze beperkte aanbiedersmarkt inmiddels interessante en mogelijk discutabele kruis-relaties waar te nemen: adviseur A werkt in project A als deelnemer en in project B als toetser van de inzendingen, architect C werkt in project C voor bouwer C, maar in project D voor bouwer E, die weer een van de grote concurrenten is in project C enzo verder... We hebben er helaas nog geen helder schema van kunnen samenstellen, maar dat komt vast later nog wel.
Waar de EU-aanbesteding aanstuurt op verbreding van de markt, kun je zeggen dat in het DBFMO-specialisme de markt immer krapper wordt.



Terug naar de deelnemende partijen. Meestal is de trekker een van de tien grootste bouwers van ons land en tekent zich een groep van ongeveer twintig architectenbureaus af die worden gevraagd om te ontwerpen. Meest succesvol tot nu Claus en Kaan met 3 en Jeroen van Schooten [eerst MVSA, nu Team V] met 2 succesvolle aanbestedingen. Cepezed, Mecanoo, UN Studio, MAS en Schmidt Hammer Larsen elk met 1 binnengehaald project. Met nog een aantal kanshebbers voor de toekomst in de vorm van Benthem Crouwel, ArchitektenCie cs en Roeleveld Sikkes cs voor de Rechtbank Breda; Claus en Kaan, deZwartehond en UN Studio voor het RIVM; Claus en Kaan, OMA en Benthem Crouwel voor project Rijnstraat 8. En dan het rechtbank-complex in Amsterdam waar de selectieprocedure nog moet beginnen.
Bureaus die wel meededen, maar tot nu toe nog nergens wonnen zijn naast Benthem Crouwel onder meer Kraaijvanger, Atelier PRO, Fokkema, Soeters Van Eldonk, Quist Wintermans, Wiel Arets [zelfs 2 keer verloren], Broekbakema, Arcadis, OTH en RAU [beide 2 keer niet] en tenslotte de buitenlanders AWG, Ingenhoven en Perrault.
We weten niet hoe de verliezers het op dit slagveld kunnen volhouden; en er volgen straks nog twee keer zoveel verliezers als winnaars...



Bovenstaande opmerkingen zijn te zien als een eerste poging om meer van de aspecten die aan de orde zijn bij DBFMO-projecten te begrijpen. Graag horen we van deelnemers of anderen of er meer argumenten te geven zijn om het tot nu gedachte voordeel voor het Rijk in twijfel te trekken. Al was het maar om andere opdrachtgevers te kunnen afhouden van overname van dit DBFMO-systeem of om afkalving van de eigen deskundigheid bij de aanbestedende diensten te kunnen voorkomen. Immers, als je alles uitbesteedt, ben je straks zelf ook overbodig...

[Op de foto's van boven naar beneden vier projecten van Claus en Kaan: Paleis van Justitie Amsterdam - i.e. geen DBFMO - NNMM in Soesterberg, Hoge Raad in Den Haag en Bezuidenhoutseweg 30, ook in Den Haag. Veel informatie over DBFMO projecten is te vinden op de website PPS Netwerk. Het genoemde rapport van Architectuur Lokaal is hier te vinden.
Naschrift Red.: Project-selectie EuroJust, VWS en Internationaal Strafhof zijn bij de architecten in bovenstaande lijst wel meegeteld, hoewel het geen zuivere DBFMO-projecten zijn.] - 14 april 2014 - BOX 1.663


* Spiegeltjes en kralen bij de eerste Geert Bekaert-Prijs

Aaron Betsky is de winnaar geworden van de eerste Geert Bekaert Prijs, de nieuw ingestelde prijs 'ter stimulering van de ontwerpschrijfkunst in de Lage Landen' zoals initiatiefnemers ArchiNed en Designplatform Rotterdam het omschrijven. Betsky's tekst Plain Weirdness - The architecture of Neutelings Riedijk werd door de jury 'harmonieus en eensgezind' gekozen uit drie genomineerde teksten [uit een shortlist van elf stukken die telkens door minstens twee juryleden waren geselecteerd uit de 97 inzendingen].



De twee andere genomineerden kwamen eveneens niet uit Nederland, te weten de Nieuw Zeelander Thomas Daniell met een in MARK Magazine gepubliceerde tekst over het gebouw voor de Shenzen Stock Exchange van de hand van OMA en Vlaming Bart Verschaffel met een korte beschouwing over een museumgebouw in Mechelen naar ontwerp van AWG architecten. Martin van Schaik kreeg - als enige Hollander, maar wonend en werkend bij onze zuiderburen - een eervolle vermelding voor een online boekbespreking van het werk van architectenbureau Bow-Wow op ArchiNed.



Toch roept het vrijdag gepresenteerde juryverslag direct enkele vragen bij mij op, die ik dan hier ook maar publiekelijk stel [in deze korte tijd na publicatie is het nog niet mogelijk om het gehele rapport aan een kritische beschouwing te onderwerpen...].
Ten eerste: De jury vermeldt dat van de 97 teksten er geen enkele is verschenen in een landelijk dagblad, en slechts één in een opinie-weekblad. De jury vindt dit gegeven verontrustend. Ze zegt zelfs: 'Bij dezen dan ook een oproep aan de dag- en weekbladen, stel pagina's beschikbaar voor architectuurkritiek en neem een voorbeeld aan Geert Bekaert die laat zien dat ook minder laagdrempelige kritieken toegankelijk zijn.' Los van de vaak hermetische formuleringen waarvan de academische kritieken zich bedienen, is het interessant om te lezen wat een van de meer prominente juryleden van deze prijs, de hooggeleerde Ed Taverne kortgeleden meldde over de kritiek in de dagbladen, zie onderstaand een beeld van zijn Twitter-account.



Die opmerking van de jury betekent tevens dat er denkelijk geen teksten werden ingezonden door de actuele critici van de landelijke dagbladen, zoals Bernard Hulsman en Tracy Metz [NRC Handelsblad], Kirsten Hannema, Jeroen Junte, Bob Witman en Hilde de Haan [de Volkskrant] of Ronald 't Hooft van het Parool. Wat mij betreft hanteert de jury hier - dom genoeg - de klassieke cirkelredenering: Architectuurteksten en -kritieken in dagbladen zijn er wel, maar kennelijk volgens deze jury onder de maat? Echter, geen enkele ingezonden tekst voor deze prijs is in een dagblad gepubliceerd, dus die landelijke dagbladen doen niks of veel te weinig aan echte architectuurkritiek... en zo verder.



Vraag twee: waarom noemt de jury niet de volledige shortlist van hun keuze? We kennen er nu vier, maar die andere zeven auteurs zouden het toch ook prachtig vinden om te horen dat ze tot de finale selectie zijn doorgedrongen? Eer de moeite van die 55 auteurs die inzonden s.v.p. alsnog door ze te vermelden! Mede-organisator Lucas Verweij zei op Twitter al dat hij dit een goede suggestie vond. Prix-de-Rome-jury's hebben immers ook altijd hun stapsgewijze selectie van ingezonden ontwerpen openbaar gemaakt... [Naschrift: Inmiddels staan ook die ontbrekende auteurs op de website van ArchiNed.]



De genomineerden hebben werkelijk mooie teksten geschreven. Betsky maakte - met overigens meer dan 1,5 maal zoveel woorden als het gesuggereerde maximum van 4.000 - van zijn hart voor het werk van Neutelings Riedijk geen moordkuil. Het is jammer dat een dergelijk lovende tekst niet aangevuld kon worden met een actuele mening over het recente ontwerp voor museum Naturalis in Leiden [het vrij slappe aftreksel van hun gelauwerde gebouw voor Beeld en Geluid in Hilversum] of het onder vuur liggende Spuiforum in Den Haag [overigens wel in de marge genoemd als danstheater]. Betsky levert dan ook geen echte architectuurkritiek in de ware zin des woords; het is een voor de uitgever op bestelling afgeleverde inleiding in een publicatie over het betreffende architectenbureau. De jury zegt daarover: 'En hoewel expliciete kritische noten ontbreken, houdt de auteur de Nederlanders toch een klein spiegeltje voor.' [Waar dan?]



Kennelijk wordt ik gedwongen om eerst in Betsky's spiegeltje kijken - en moet ik dan in de andere genomineerde teksten wellicht de kralen ontwaren? Geef dan een van die anderen de prijs, zou ik zeggen... En dat zou in het geval van Thomas Daniell niet eens zo vreemd zijn. Wij danken de jury voor deze eerste kennismaking met zijn tekst en persoon. Na een korte Google-zoektocht vonden we het video-verslag van zijn promotie en raakten bij het volgen daarvan gaandeweg diep onder de indruk van deze originele denker en ontwerper. Zijn stuk over OMA verscheen onder de titel 'Thinking into the Box' en deze zinsnede was zeker ook van toepassing op die bijeenkomst ter verkrijging van de doctorstitel. Op originele wijze toont hij aan de hand van een stapsgewijs openklappende zwarte doos zijn ervaringen in de architectenpraktijk - met name gedurende zijn lange verblijf in Japan - aan de daar aanwezige promotoren. Een ontwapenende en bij vlagen ontroerende lezing van een uur; bekijk dat verslag en u zult het met me eens zijn. We maken kennis met een diepgaand analyserende en eigenzinnige architect-denker! Hij verdiende die nominatie [en wat ons betreft zelfs de prijs] dus dubbel en dwars.



De derde genomineerde, de Belgische hoogleraar Bart Verschaffel [zie foto hieronder] diende een bescheiden tekst in, waarin hij vermeldde dat het museum van AWG Architecten in Mechelen toch goed was, ondanks de publieke kritiek dat dit nieuwe gebouw grotendeels 'gesloten' [met weinig ramen] werd uitgevoerd. Wat ons betreft nauwelijks voorbeeldig, maar wel beargumenteerd en netjes opgeschreven.
Het juryrapport bevat tenslotte een cryptische alinea waar we nog langer over na moeten denken. Het is een combinatie van suggesties - misschien zelfs wel insinuaties - over de [on-]afhankelijkheid en/of de macht van de criticus:
'Kon Bekaert een individuele positie innemen, voor de hedendaagse auteur, veelal een ontwerper die schrijft, is een kritische houding minder evident. Hij of zij opereert pragmatischer, het is immers onbekend met wie de ontwerper/auteur morgen aan de onderhandelingstafel zit. Ook de machtsfactor is in het geding: wie veel macht heeft, kan meer zeggen. Met het bevragen van de autoriteit van de criticus wordt zijn macht minder en zijn standpunt minder kritisch.'



Deze passage, waarschijnlijk goed bedoeld, maar gewild of ongewild snijdend voor een deel van de inzenders, vraagt meer tijd voor een adequate reflectie. Als we de strekking van de passage toepassen op de mogelijke 'afhankelijkheid' en 'macht' van de onderscheiden juryleden van deze prijs, vallen ons daar de denkbare [en zelfs aanwijsbare] afhankelijkheden of machtsrelaties wel op... Winnaar Betsky beschrijft het oeuvre van een architectenbureau dat nu juist in zijn opdracht aan de uitbreiding van zijn museum in Cincinnati USA werkt. Thomas Daniell was werkzaam bij OMA en schreef een wervende tekst over een van OMA's recente projecten; jurylid Arjen Oosterman is hoofdredacteur van Volume en wordt daarin mogelijk financieel, maar in ieder geval inhoudelijk gesteund door drie partners, waaronder datzelfde architectenbureau OMA... En jurylid Christophe van Gerreweij promoveert op het werk van de naamgever van deze prijs, architect en criticus Geert Bekaert. We zochten even door wie hem bij die promotie begeleidt, en ja hoor, we vonden al snel zijn beide promotoren, waaronder de hooggeleerde [en voor deze prijs genomineerde] Bart Verschaffel, waarvan akte.



Tot besluit bevat de inleiding van het bovengenoemde juryrapport een wens voor een vervolg: 'Het project zal daarom worden voortgezet, met als hoogtepunt de tweede editie van de Pruys-Bekaert-prijzen in 2016.'
Voor dat nieuwe hoogtepunt hebben we een suggestie voor de organisatoren, mede in het licht van de kritiek op de kortgeleden aangepaste procedure bij de nieuwe Prix de Rome Architectuur 2014:
Stel een jury samen die bijvoorbeeld drie actuele onderwerpen agendeert; vraag de deelnemers vervolgens om over een [of over alle drie] van die thema's een tekst te schrijven van bijvoorbeeld 1.500 woorden en die anoniem [dus alleen onder motto of titel] in te zenden. Dan weten we in elk geval zeker dat mogelijke afhankelijkheid, macht of andere relaties geen rol zullen spelen in de beoordeling. In de vaste overtuiging dat de jury dan in 2016 een nog onbekende top-criticus gaat ontdekken!

[Overigens is de auteur van bovenstaande BOX-tekst - Kees van der Hoeven - volstrekt onafhankelijk, maar in deze kwestie wel belanghebbend. Hij diende namelijk drie teksten in als deelnemer aan deze prijsvraag, te weten een retrospectief over 25 jaar architectenbureaus in Nederland, een ode aan de Groningse schuur van Onix architecten en een kritische bespreking van het Jaarboek Architectuur in Nederland 2012-2013.
Zie voor alle informatie en het complete juryrapport van de Geert Bekaert Prijs 2014 de eigen website van de prijs. Marit Overbeek van de Architect schreef hier een verslag van de prijsuitreiking afgelopen donderdag.] - 23 maart 2014 - BOX 1.662


* Wederom vier Look-alikes voor onze database

Onze vaste lezertjes weten wel dat we graag overeenkomstig ogende projecten verzamelen... Overigens zonder te weten, c.q. te kunnen vermelden of en hoe de respectievelijke ontwerpers wel of niet naar elkaars projecten hebben gekeken. 'Beter goed gepikt dan slecht ontworpen' zei Herman Hertzberger altijd.
Vandaag plaatsen we er weer vier: Allereerst de verbluffende overeenkomsten tussen een afstudeerplan van Marten de Jong [Emma Architecten Amsterdam] uit 2001 en het recent gepresenteerd museumplan in Zuid-Afrika van de beroemde Britse architect en designer Thomas Heatherwick. We denken dat hij het afstudeerplan niet kende, maar dat de basis van beide plannen, namelijk bestaande graansilo's eenzelfde 'openknippende' of zagende aanpak mogelijk maakt.



Ook de volgende overeenkomst is opvallend: Charles Eames maakte een blob avant-la-lettre tijdens de World Fair in New York in 1964-65 en we kunnen ons nauwelijks voorstellen dat Bierman Henket dat betreffende plan niet kende. De bouwtechniek is beslist verschillend - Henket gebruikte tegeltjes van Tighelaar als bekleding - maar het beeld en de symmetrische vorm van de blob op het dak van museum De Fundatie is wel bijzonder overeenkomstig...



De navolgende look-alike is misschien een beetje flauw, maar toch is het wel opvallend dat een gerenommeerd architectenbureau als Broekbakema zo goed heeft gekeken naar de hangende niervormige plafondeilanden in het Tweede Kamergebouw van Pi de Bruijn uit [1992 - mind you!]. En dan is er voor de plafonds in het Fioretticollege in Lisse geen andere vorm te bedenken?



Tenslotte - met dank aan Ard Buijsen - de gelijkenissen tussen de gevelopbouw van een enorm project van architect Steven Holl in China en het nieuwe stadskantoor van de hand van architect Dirk-Jan Postel van Kraaijvanger in Utrecht. Niet exact hetzelfde, maar dan toch wel met een vleugje beeldrijm op het gevel-constructie-thema dat natuurlijk eerder werd geintroduceerd door OMA/Rem Koolhaas bij CCTV in Beijing.



[Zie ook de eerdere Look-alike-pagina's in onze database.] - 10 maart 2014 - BOX 1.661



Berichten uit de voorgaande maanden in het

* Archief-overzicht.



*

© 1997-2012. Copyright ArchitectenWerk.